Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2024:1169

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
12 september 2024
Zaaknummer
23/01018
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 SrArt. 339 lid 1 SvArt. 340 SvArt. 359 lid 3 SvArt. 567 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak bekrachtigd in zaak verkrachting ondanks discussie over bewijsgebruik geluidsopnames

In deze strafzaak stond de verkrachting van een vrouw centraal, met wie verdachte een seksuele relatie had. De rechtbank sprak verdachte vrij, waarna het hof dit arrest bevestigde. Het cassatieberoep richtte zich onder meer op het bewijs van dwang en het vereiste opzet van verdachte, en op het gebruik van geluidsopnames die het hof buiten de terechtzitting had beluisterd.

De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel dat de bewijsvoering over dwang en opzet aanvalt, niet tot cassatie leidt. Uit de bewijsvoering volgt dat verdachte het slachtoffer in een bedreigende situatie bracht, waardoor het slachtoffer zich redelijkerwijs niet aan de handelingen kon onttrekken. Ook werd geoordeeld dat het hof toereikend motiveerde waarom verdachte bewust de kans aanvaardde dat hij psychische druk uitoefende.

Ten aanzien van het gebruik van geluidsopnames als bewijs stelde de Hoge Raad vast dat het hof deze onterecht als zelfstandig wettig bewijsmiddel aanmerkte, omdat opnames van beeld en geluid buiten de terechtzitting in principe niet als wettig bewijs gelden. Wel kan eigen waarneming van de rechter worden gebruikt, mits deze tijdens de terechtzitting plaatsvindt of onder strikte voorwaarden daarbuiten, en met een adequate beschrijving in het vonnis. Het hof volstond hier ten onrechte met een verwijzing naar de vindplaats in het dossier.

Desalniettemin oordeelde de Hoge Raad dat de bewezenverklaring ook zonder de geluidsopnames toereikend gemotiveerd was, omdat het hof ook gebruik maakte van een proces-verbaal met transcripties van de opnames. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bekrachtigde de vrijspraak van verdachte wegens onvoldoende bewijs van verkrachting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01018
Datum17 september 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 maart 2023, nummer 20-000997-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het bewezenverklaarde wat betreft de dwang en het daarvoor vereiste opzet van de verdachte niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 16 tot en met 24.

3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over het gebruik voor het bewijs door het hof van twee geluidsbestanden die het hof buiten het verband van de terechtzitting heeft beluisterd.
3.2
De bewezenverklaring en de bewijsvoering zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4, 5 en 7. Het hof heeft hierbij onder meer als bewijsmiddelen aangemerkt:
“7. De inhoud van het geluidsbestand IMG_1465.MOV zoals deze zich in het dossier bevindt en door het hof in raadkamer is beluisterd.
8. De inhoud van het geluidsbestand IMG_1466.MOV] zoals deze zich in het dossier bevindt en door het hof in raadkamer is beluisterd.”
3.3
Het hof heeft, naast de als bewijsmiddelen 7 en 8 aangemerkte geluidsbestanden, voor het bewijs ook gebruik gemaakt van een proces-verbaal van bevindingen dat een transcriptie van die geluidsbestanden bevat. Deze transcriptie is opgenomen in bewijsmiddel 2, zoals weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5. Gelet op de inhoud van dat proces-verbaal moet worden geoordeeld dat de bewezenverklaring ook met weglating van de bewijsmiddelen 7 en 8 toereikend is gemotiveerd. Het cassatiemiddel stuit daarop af.
3.4.1
De Hoge Raad overweegt ‑ ten overvloede ‑ dat het hof de in de bewijsmiddelen 7 en 8 vermelde geluidsopnames kennelijk als zelfstandig en wettig bewijsmiddel heeft aangemerkt. Het hof heeft daarmee miskend dat
met uitzondering van de situatie waarin artikel 567 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) toepassing vindt
een opname van beeld en/of geluid niet als een wettig bewijsmiddel kan worden aangemerkt (vgl. artikel 339 lid 1 Sv Pro). Zo’n opname kan wel meewerken tot het bewijs via de eigen waarneming van de rechter als bedoeld in artikel 340 Sv Pro. Die waarneming moet in beginsel plaatsvinden op de terechtzitting. Onder omstandigheden mag een eigen waarneming van de rechter ook voor het bewijs worden gebruikt als deze waarneming door de rechter buiten het verband van de terechtzitting is gedaan. De voorwaarden die daarvoor gelden, zijn door de Hoge Raad uiteengezet in zijn arrest van 24 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1414.
Op grond van artikel 359 lid 3 Sv Pro moet de bewezenverklaring steunen op de inhoud van in de uitspraak opgenomen bewijsmiddelen “houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden”. Dit vereiste brengt met zich dat in het geval dat een eigen waarneming van de rechter voor het bewijs wordt gebruikt, de rechter in zijn uitspraak moet beschrijven wat de betreffende waarneming inhoudt. De rechter kan niet ‑ zoals het hof in deze zaak heeft gedaan ‑ volstaan met de vermelding van de vindplaats in het dossier (vgl. HR 9 mei 1927, ECLI:NL:HR:1927:167).
3.4.2
In de ‑ zich in deze zaak niet voordoende ‑ situatie dat overeenkomstig artikel 575 Sv Pro in samenhang met artikel 1 lid 2 Besluit Pro innovatie strafvordering artikel 567 Sv Pro toepassing vindt, kan een opname van beeld en/of geluid wel zelfstandig als wettig bewijsmiddel voor het bewijs worden gebruikt. Ook dan moet ‑ zoals tevens in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 567 Sv Pro naar voren komt (vgl. Kamerstukken II 2020/21, 35869, nr. 3, p. 65-66) ‑ de uitspraak een beschrijving van de door de rechter gedane waarneming bevatten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 september 2024.