ECLI:NL:HR:1934:321

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 1934
Publicatiedatum
13 juli 2018
Zaaknummer
6946
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Visser
  • van Gelein Vitringa
  • Polak
  • de Menthon Bake
  • Servatius
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 575 BWArt. 583 BWArt. 590 BWArt. 591 BWArt. 592 BW
Verwijzingen
4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eigendom van obligatie bij inschrijving door commissionair in effecten

In deze zaak heeft eiseres aan een commissionair in effecten opdracht gegeven om voor haar een aandeel te nemen in een uitgegeven obligatielening van de Naamlooze Vennootschap "de Residentiebode". De commissionair schreef in op eigen naam voor het totale bedrag van de inschrijvingen van zijn opdrachtgevers, waaronder eiseres. Na betaling ontving de commissionair de obligaties, maar zonder dat een specifieke obligatie aan eiseres was toegewezen.

Na het overlijden van de commissionair werd de nalatenschap failliet verklaard en trad de curator in zijn plaats. De curator weigerde een obligatie van f. 500,- af te geven aan eiseres, waarop partijen het geschil aan het hof voorlegden. Het hof verklaarde de vordering van eiseres niet-ontvankelijk, stellende dat geen specifieke obligatie aan haar was toegewezen en zij dus geen eigendom kon claimen.

Eiseres stelde in cassatie dat de commissionair slechts als tussenpersoon handelde en dat de curator verplicht was de obligatie aan haar af te geven. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat het enkel betalen en ontvangen van obligaties door de commissionair namens opdrachtgevers niet leidt tot eigendomsoverdracht aan een specifieke opdrachtgever zonder duidelijke aanwijzing van een bepaalde obligatie.

De Hoge Raad besloot dat eiseres een persoonlijke vordering tot afgifte kan hebben, maar geen eigendom van een specifieke obligatie kon verkrijgen, en verwierp het cassatieberoep. Partijen hadden bovendien afgesproken geen proceskosten te vorderen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat eiseres geen eigendom van een specifieke obligatie kon verkrijgen.

Uitspraak

Openbare terechtzitting van Donderdag, 20 December 1934.
De zitting is geopend te elf uur.
De deurwaarder roept de volgende zaken uit :
DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
in de zaak (No.6946) van:
[eischeres],wonende te
[woonplaats], eischeres tot cassatie van een arrest van het Gerechtshof te
's-Gravenhage, op 28 Mei 1934 tusschen partijen gewezen, vertegenwoordigd door Mr. A. M. de Groot, advocaat bij den Hoogen Raad.
Contra:
Mr. Ir. H. Smalhout, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de nalatenschap van
[verweerder], verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. Ir. H. Smalhout, advocaat bij den Hoogen Raad.
Partijen gehoord;
Gehoord den Advocaat-Generaal
Wijnveldtnamens den Procureur-Generaal in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het beroep en veroordeeling van eischeres in de kosten dezer procedure;
Gezien de stukken;
Overwegende dat uit het bestreden arrest, voorzoover thans van belang, ten aanzien van de feiten vast staat, dat eischeres tot cassatie aan den commissionnair in effecten nu wijlen [verweerder] had opgedragen voor een bedrag van f. 500.- voor haar in te schrijven op een 52% obligatieleening, uitgegeven door de Naamlooze Vennootschap "de Residentiebode", gevestigd te 's-Gravenhage;
dat [verweerder] haar op 24 Augustus 1933 heeft bericht, dat haar een obligatie van f. 500.- was toegewezen, waarvoor de storting op 31 Augustus moest plaats hebben;
dat zij daartoe aan [verweerder] op 28 Augustus 1933 f.490.50 heeft betaald, waartegenover deze aan haar eene verklaring heeft afgegeven, dat hij haar zou ter hand stellen een obligatie, groot f. 500.-, 5
% Naamlooze Vennootschap "de Residentiebode";
dat [verweerder] op 1 September 1933 is overleden, doch zijn procuratiehouder het totale bedrag, waarvoor [verweerder] op eigen naam voor zijne clienten op de leening had ingeschreven, bij de emittente heeft gestort en daarvoor gelijk bedrag aan genoemde obligaties met talons en coupons heeft ontvangen;
dat op 19 October 1933 de nalatenschap van [verweerder] in staat van faillissement is verklaard met benoeming van verweerder in cassatie tot curator;
dat deze weigert aan eischeres tot cassatie een obligatie van f.500.- in bedoelde leening als haar eigendom af te geven, waarop partijen zijn overeengekomen het geschil bij prorogatie aan de beslissing van het Hof te onderwerpen en daarbij wederzijds geen veroordeeling in de proceskosten te vragen;
dat bij het bestreden arrest die vordering van eischeres tot cassatie niet-ontvankelijk is verklaard, waarbij het Hof heeft overwogen, hetgeen in het middel van cassatie in hoofdzaak is medegedeeld;
Overwegende dat eischeres tot cassatie tegen dit arrest het navolgende middel heeft aangevoerd:
Schending en verkeerde toepassing van de artikelen 575, 583,590,591, 592, 594, 596, 629, 639, 640, 667, 668, 1332, 1335, 1390, 1733 tot en met 1736, 1751, 1756, 1758, 1829, 1833, 1834, 1839 en 1849 van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 1,76 tot en met 84,235 en 240 van het Wetboek van Koophandel en van de artikelen 48 en 353 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
doordien bij het arrest is aangenomen:
1. dat de commissionnair [verweerder] voor al zijn clienten van wie hij daartoe opdracht had, heeft ingeschreven op eigen naam, de toewijzing voor het totale bedrag aan hem is gedaan en de toegewezen obligatie tegen betaling van dat bedrag en in eens aan hem zijn afgegeven, dus zonder dat de emittente een der obligaties in het bijzonder voor eischeres bestemd had;
2. dat de commissionnair bij de in ontvangstname van de obligaties voor de gezamenlijke inschrijvers niet de wil heeft gehad om een bepaalde obligatie als voor eischeres bestemd te aanvaarden en dat ook daarna afzondering van een obligatie met zoodanige bestemming niet heeft plaats gehad;
3. dat waar van een andere wijze van eigendomsverkrijging geen sprake is, eischeres dus geen eigenaresse is van een bepaalde obligatie en zij ook niet in staat is een bepaalde
obligatie als de hare aan te wijzen of te omschrijven; ten onrechte omdat het Hof over het hoofd ziet door deze beslissing dat de commissionnair wel is waar op zijn eigen naam inschreef, de obligaties betaalde en ontving doch deze handelingen verrichtte ten behoeve en in opdracht van zijn lastgevers en nimmer den wil heeft gehad om voor zich zelf te ontvangen en te houden en dus de curator, die in de: plaats van den commissionnair is getreden, een obligatie groot f.500.- onder zich heeft ten behoeve van eischeres en verplicht is een zoodanige obligatie aan eischeres af te geven;
Overwegende dienaangaande dat in dit geval de omstandigheid, dat de commissionnair (zijn procuratiehouder) heeft gehandeld in opdracht van zijn lastgevers, onder wie eischeres tot cassatie, wel meebrengt, dat aan deze op grond van die lastgeving een persoonlijke vordering tot afgifte van eene obligatie als vermeld toekomt, maar geenszins dat zij, reeds doordat hij de obligaties betaalde en ontving, den eigendom van een obligatie verwierf, nu het Hof feitelijk en in cassatie onaantastbaar heeft vastgesteld, dat bij de in ontvangstname van de obligaties voor de gezamenlijke inschrijvers de commissionnair (zijn procuratiehouder) niet de wil heeft gehad om een bepaalde obligatie van f. 500.- als voor eischeres tot cassatie bestemd te aanvaarden, en dat ook daarna afzondering van eene obligatie met zoodanige bestemming niet heeft plaats gehad;
Overwegende dat het middel derhalve niet tot cassatie kan leiden;
Overwegende dat eene beslissing ten aanzien van de proceskosten niet behoeft te worden gegeven, omdat partijen zijn overeengekomen wederzijds geen veroordeeling in de proceskosten te vragen;
Verwerpt het beroep.
Gedaan bij de Heeren Visser, Vice-President, van Gelein Vitringa, Polak, de Menthon Bake en Servatius, Raden, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den Twintigsten December 1900 vier en dertig, in bijzijn van den Advocaat-Generaal Wijnveldt.