Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te
Alkmaarvan 18 September 1933 betreffende een aanslag tot navordering van Inkomstenbelasting hem opgelegd over het belastingjaar 1931/32;
Hoge Raad
Belanghebbende, een koffiehuishouder, werd navorderingsaanslag opgelegd over 1931/32 op basis van een vermeende bedrijfswinst uit de verkoop van onroerend goed dat deel uitmaakte van zijn bedrijfsvermogen. De Inspecteur stelde dat de winst uit de verkoop van het café, woonhuis en schuur als inkomen moest worden aangemerkt, ondanks het feit dat verkoop gedwongen was vanwege dreigende onteigening.
De Raad van Beroep handhaafde de aanslag en verwierp het verweer van belanghebbende dat de winst niet tot het inkomen behoorde omdat het bedrijf niet direct met de verkoop te maken had en de verkoop gedwongen was. Ook werden kosten van het sluiten van een hypotheek niet als bedrijfsuitgaven erkend.
De Hoge Raad oordeelde dat de winst uit de verkoop van onroerend goed dat tot het bedrijfsvermogen behoort wel degelijk tot de opbrengst van het bedrijf behoort, ook als het voordeel niet binnen het doel van het bedrijf valt. Daarnaast stelde de Hoge Raad dat de kosten van het sluiten van een hypotheek onder bepaalde voorwaarden wel als bedrijfskosten in aanmerking kunnen worden genomen, en dat de Raad van Beroep de wet op dit punt had geschonden.
De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar de Raad van Beroep voor herbeoordeling met inachtneming van het arrest, waarbij onder meer de hypotheekkosten in mindering gebracht kunnen worden op de bedrijfswinst, voor zover deze betrekking hebben op het bedrijfsdeel.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en verwijst de zaak terug naar de Raad van Beroep voor herbeoordeling met inachtneming van het arrest.