Uitspraak
munt-clausule, doch eene goud
waarde-clausule zou zijn;
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of een Amerikaanse Joint Resolution die betaling in goud onmogelijk maakt, door de Nederlandse rechter buiten toepassing gelaten moest worden vanwege strijd met de Nederlandse openbare orde en het beginsel pacta sunt servanda.
De Bataafsche Petroleummaatschappij had een obligatielening afgesloten met een goudclausule die betaling in goud in New York voorschreef. Door Amerikaanse wetgeving uit 1933 was betaling in goud echter verboden en onmogelijk geworden. De Nederlandse rechters moesten beoordelen of deze Amerikaanse wetgeving in Nederland toegepast kon worden.
De Hoge Raad oordeelde dat de Nederlandse rechter gehouden is het buitenlandse recht toe te passen dat partijen zelf in hun overeenkomst hebben gekozen, tenzij dit recht strijdig is met de Nederlandse openbare orde. In dit geval was dat niet het geval, omdat de Amerikaanse wetgeving niet neerkwam op onteigening zonder schadeloosstelling en passend was binnen het maatschappelijk verkeer.
De Hoge Raad verwierp het beroep van de eiser, de Vereniging voor den Effectenhandel, en bevestigde dat de Nederlandse rechter de Amerikaanse wetgeving mocht toepassen, ook al betekende dit dat de verplichting tot betaling in goud was opgeheven. De uitspraak benadrukt het belang van internationale rechtsorde en de grenzen van het pacta sunt servanda-beginsel.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de Nederlandse rechter de Amerikaanse wetgeving mag toepassen en wijst het cassatieberoep af.