Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Amersfoort,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
15 mei 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de vraag of de Nederlandse ontvanger belastingschulden van de echtgenoot kan verhalen op de goederen van de huwelijksgemeenschap, waarbij het Roemeense huwelijksvermogensrecht van toepassing is. De echtgenoten waren in Roemenië gehuwd onder Roemeens recht en hadden onroerende zaken in Nederland. De Ontvanger wilde verhaal op de huwelijksgemeenschap, terwijl het Roemeense recht de belastingschuld als privéschuld van de echtgenoot beschouwt.
De rechtbank wees de vordering van de Ontvanger af, maar het hof vernietigde dit en stelde dat de openbare orde-exceptie van artikel 10:6 BW Pro van toepassing was, waardoor het Roemeense recht opzij werd gezet en verhaal op de huwelijksgemeenschap mogelijk werd. Het hof motiveerde dit met de sterke verbondenheid van de echtgenoten met Nederland en het belang van de Nederlandse belastingdienst.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door de openbare orde-exceptie te aanvaarden. De toepassing van het Roemeense recht is niet kennelijk onverenigbaar met fundamentele beginselen van de Nederlandse rechtsorde, ook niet gezien de verbondenheid met Nederland. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.
De Ontvanger werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug wegens onjuiste toepassing van de openbare orde-exceptie.