Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te
Utrechtvan 30 Maart 1953 betreffende den hem opgelegden aanslag in de vermogensaanwasbelasting;
Hoge Raad
Belanghebbende ontving in augustus 1945 een bedrag van 4000 gulden van een familie die tijdens de oorlog bij hem ondergedoken was geweest. De Inspecteur rekende dit bedrag tot het vermogen van belanghebbende en legde een aanslag vermogensaanwasbelasting op. De Raad van Beroep bevestigde dit oordeel, stellende dat het bedrag een toeslag was op een bijzonder lage pensionprijs van 240 gulden per maand.
De Hoge Raad stelde echter vast dat het begrip vrijgevigheid en schenking niet uitgesloten wordt door het motief van voldoening aan een morele verplichting. De betaling van 4000 gulden, hoewel voortkomend uit dankbaarheid en zonder juridische verplichting, moet als schenking worden beschouwd. Hierdoor behoort het bedrag niet tot het vermogen van belanghebbende.
De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van de Raad van Beroep en de beschikking van de Inspecteur, en stelde de aanslag vast op een lagere belastbare som van 401 gulden na aftrek van vrijstellingen. Hiermee werd het beroep van belanghebbende gegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en vermindert de aanslag vermogensaanwasbelasting tot een belastbare som van 401 gulden.