Conclusie
1.Inleiding
hoofdstuk 4eerst stil bij de eigenwoningvrijstelling zoals die vanaf 1 januari 2017 in art. 33 SW Pro 1956 was opgenomen en de voorwaarden voor toepassing daarvan. Verder sta ik nog specifiek stil bij de kruislings schenken-constructie. Tijdens de parlementaire behandeling van zowel de verruiming in 2013 als de verruiming in 2017 is namelijk aandacht besteed aan het kruislings schenken, en ook na de verruiming in 2017 is de Staatssecretaris in parlementaire stukken uitvoerig hier op ingegaan.
hoofdstuk 5behandel ik daarom de civielrechtelijke kwalificatie van kruislingse schenkingen. Daartoe geef ik eerst achtergrond bij het giftbegrip, de schenking onder last en het derdenbeding. Ik meen dat voor de civiele beoordeling van de kruislingse schenking essentieel is of de gemaakte afspraken in rechte afdwingbaar zijn. Dat die afdwingbaarheid beslissend is, heeft te maken met het onderscheid tussen ‘
do et das’ en ‘
do ut des’ in relatie tot het geobjectiveerde schenkingsbegrip. Complicatie in deze zaak is het Hof zich niet heeft uitgelaten over die civiele kwalificatie (5.34-5.36).
hoofdstuk 6ga ik vervolgens in op de (zelfstandige) fiscale kwalificatie en fraus legis. Ik geef achtergrond bij elk van die leerstukken. Hoewel de leerstukken gelijkenissen met elkaar vertonen, zijn zij niet hetzelfde. Bij een zelfstandige fiscale kwalificatie wordt de fiscale kwalificatie rechtstreeks vastgesteld (civiele kwalificatie ≠ zelfstandige fiscale kwalificatie). Als fraus legis wordt toegepast, wordt afgeweken van de civiele en fiscale kwalificatie die normaliter zou zijn toegekend aan de rechtshandeling(en) (civiele kwalificatie = fiscale kwalificatie ≠ fraus legis kwalificatie).
hoofdstuk 7geef ik weer langs welke lijnen de civiele en fiscale beoordeling van de kruislingse schenking concreet plaatsvindt:
hoofdstuk 8volgt de beoordeling van de klacht. Ik lees de bestreden uitspraak zo, dat het Hof veronderstellenderwijs ervan is uitgegaan dat civielrechtelijk belanghebbende geacht wordt de kruislingse schenking van Z te hebben ontvangen. De vraag is dan of dit aan de hand van een zelfstandige fiscale kwalificatie of fraus legis fiscaal moet worden gecorrigeerd. Het Hof heeft feitelijk vastgesteld dat de schenkingen over en weer in een nauw verband staan tot elkaar. Dat is mijns inziens onvoldoende om de schenking fiscaal te kwalificeren als een schenking van de moeder aan het eigen kind. Toepassing van fraus legis is bij zo’n nauw verband niet bij voorbaat uitgesloten. Belanghebbende betoogt dat de wetgever de mogelijkheid van het kruislings schenken (impliciet) heeft aanvaard door na te laten specifieke anti-ontgaanswetgeving te maken. Ik meen dat in het algemeen uit zo’n nalaten niet een (impliciete) aanvaarding kan worden afgeleid. Daar komt bij dat uit de wetsgeschiedenis duidelijk naar voren komt dat de wetgever deze constructie niet heeft willen aanvaarden. In de uitspraak van het Hof ligt besloten dat voor het samenhangend geheel van rechtshandelingen de beweegreden van de betrokkenen, waaronder dus ook belanghebbende, het ontgaan van de belastingwet was. Dat is mijns inziens voldoende voor toepassing van fraus legis in dit geval. De klacht van belanghebbende faalt daarom.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
naar het Hof begrijpt, door de lnspecteur voorgestane fiscaalrechtelijke kwalificatie” (ovw. 5.4.1 van de Hofuitspraak, zie 2.7). Het Hof heeft – voor zover ik in het dossier kan nagaan – de mogelijkheid van fiscale (her)kwalificatie niet als zodanig voorgehouden aan partijen. [5] Ik vind het onder die omstandigheden dan te streng als belanghebbendes cassatieberoep bij voorbaat niet tot cassatie zou kunnen leiden omdat hij de fiscale (her)kwalificatie als zodanig niet zou hebben aangevochten.
4.De verruimde eigenwoningvrijstelling
Achtergrond van de regeling
deeigenwoningbezitters. Het overgrote deel van de financieel kwetsbare eigen woningbezitters zal immers niet kunnen terugvallen op ouders of derden die hen een ton kunnen of willen schenken. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat SEO Economisch Onderzoek in een evaluatie van de verruimde eigenwoningvrijstelling in opdracht van het ministerie van Financiën tot de conclusie kwam dat de schenkingsvrijstelling in de praktijk vooral werd gebruikt om schenkingen te doen aan een kleine groep huishoudens die al een relatief goede financiële uitgangspositie hebben. [16] Na deze evaluatie is in het coalitieakkoord van kabinet Rutte-IV opgenomen dat de verruimde eigenwoningvrijstelling zou worden afgeschaft. [17] De verruimde eigenwoningvrijstelling is inderdaad ook in 2023 eerst afgebouwd en vanaf 1 januari 2024 afgeschaft. [18]
schenkingwoning@gmail.com’ teneinde kruislings te gaan schenken. [22] De Staatssecretaris antwoordde op de Kamervraag of hij de ‘wenselijkheid’ van de constructie kon toelichten, dat hij de constructie in strijd acht met zowel de letter als de geest van de SW 1956: [23]
eigenkind teweeg. Dit leidt – kennelijk een bevoordelingsbedoeling jegens het eigen kind veronderstellende – tot een schenking in de verhouding ouder-eigen kind. Als de constructie wordt ingestoken middels een derdenbeding zou dit eveneens tot een schenking in de verhouding ouder-eigen kind leiden. Omdat in elke specifieke verhouding schenker-begiftigde de eigenwoningvrijstelling maar eenmaal mag worden toegepast en het ‘in feite’ gaat om een tweede schenking tussen ouder-eigen kind, kan volgens de Staatssecretaris niet nog eens de vrijstelling worden toegepast: [24]
5.Civielrechtelijke kwalificatie
schenkingonder last. Er is in zo’n geval immers geen verrijking meer. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als aan de schenking de last is verbonden dat de begiftigde het verkregene geheel ten goede moet doen komen aan een door de schenker bepaalde filantropische instelling. Een andere situatie is dat iemand een woning geschonken krijgt onder de last dat hij de hypotheek die op die woning rust afbetaalt en die hypotheek gelijk aan of hoger is dan de waarde van de woning.
allegevallen waarin derden op een of andere wijze betrokken worden bij een overeenkomst. Beslissend is of de derde zijn aanspraak op de prestatie rechtens zou kunnen effectueren. Feitelijke bevoordelingen van derden vallen hier in principe dus buiten: [33]
eigenkind in plaats van het kind van de ander. Vanuit die gedachte zou dan zijn voldaan aan de voorwaarden voor het aannemen van een schenking in de relatie ouder-eigen kind: de ouder verarmt, het eigen kind verrijkt, en dat is wat de ouder met de rechtshandeling heeft bedoeld.
do et das’ en ‘
do ut des’ [42] in relatie tot het geobjectiveerde schenkingsbegrip.
do et das’, ik geef en jij geeft), zijn dat geen schenkingen meer. In dat geval schenken wij namelijk niet ‘om niet’, maar omdat er iets tegenover staat. De onderlinge afspraak dat we over en weer zullen schenken maakt dat de onderlinge transactie niet uit vrijgevigheid plaatsvindt. Asser/Perrick schrijft hierover: [43]
do ut des’, ik geef met de bedoeling dat jij geeft), er wel degelijk een bevoordelingsbedoeling bestaat bij mij als schenker. Dat vloeit voort uit het geobjectiveerde schenkingsbegrip (zie punt 4.6-4.8 van het citaat in 5.6). Bij de toets of de schenker uit vrijgevigheid handelt wordt enkel gekeken naar
ofde schenker de begiftigde bewust heeft willen bevoordelen, maar niet
waaromde schenker dat heeft willen doen. Waar het om gaat is dat de schenker wilde bevoordelen en zich ervan bewust was dat die bevoordeling plaatsvond. Kort en goed: irrelevant is met welk achterliggend motief de schenker besloot te bevoordelen.
do et das’). In dat geval vloeit de geldverstrekking aan het kind van de ander niet meer voort uit vrijgevigheid jegens dat kind. Wel kan dan – als aan de overige voorwaarden voor het aannemen van een gift is voldaan – een schenking aan het eigen kind kunnen worden aangenomen.
zekerheid, maar op een (waarschijnlijk gerechtvaardigde)
verwachtingdat als gevolg van de gift aan het kind van de ander hetzelfde bedrag aan het eigen kind zal worden geschonken. Dan is ‘
do ut des’aan de orde en blijft er vrijgevigheid bestaan jegens het kind van de ander. Het punt is dat die ene ouder het kind van de ander bevoordeelt,
omdatdie ene ouder verwacht dat het eigen kind ook een gift zal ontvangen van de ouder van het andere kind. Hier zit de angel: de achterliggende reden van de vrijgevigheid wordt niet getoetst; het motief van de schenker is irrelevant. Het schenken door de ene ouder aan het kind van de ander in de hoop en verwachting dat de ouder van het andere kind aan haar eigen kind schenkt, maakt dus niet dat de vrijgevigheid op het eigen kind gericht is. De civiele kwalificatie is dan een schenking aan het kind van de ander en niet een schenking aan het eigen kind.
do ut des), of dat de beide ouders (rechtens) redelijkerwijs van elkaar mogen verwachten dat over en weer ‘tegenschenkingen’ zullen plaatsvinden (5.15-5.16). Dit onderscheid zal in de praktijk lastig te maken zijn, zeker als geen van de betrokkenen bij de schenkingen belang heeft bij het verstrekken van inzicht in de achterliggende omstandigheden.
6.Fiscale correctiemogelijkheden
BNB2002/231).
herkwalificeren. Het is dus niet per definitie hetzelfde als een zelfstandige fiscale kwalificatie. Bij een zelfstandige fiscale kwalificatie wordt de fiscale kwalificatie rechtstreeks vastgesteld (civiele kwalificatie ≠ zelfstandige fiscale kwalificatie). Als fraus legis wordt toegepast, wordt afgeweken van de fiscale kwalificatie die normaliter zou zijn toegekend aan de rechtshandeling(en) (civiele kwalificatie = fiscale kwalificatie ≠ fraus legis kwalificatie): [62]
. Deze regels strekken er niet toe om aan degene die een onroerende zaak gaat verkrijgen de mogelijkheid te bieden de ter zake van die verkrijging verschuldigde overdrachtsbelasting naar believen te verijdelen.Daarom verzetten doel en strekking van artikel 2 en Pro artikel 3, lid 1, letter b, van de Wet BRV zich tegen toepassing van de laatstbedoelde bepaling in een geval als het onderhavige,
waarin een geregistreerd partnerschap naar de bedoeling van partijen is aangegaan voor een zo korte periode dat de door de wet aan dit partnerschap verbonden plichten geen reële praktische betekenis konden hebben.Hierin onderscheidt het onderhavige geval zich van de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1993, nr. 27 789, BNB 1993/201, waarin een gemeenschap van goederen ontstond tijdens het huwelijk van de betrokkenen, en er geen aanwijzing bestond dat dit huwelijk slechts was aangegaan om overdrachtsbelasting te vermijden.
Aan het andersluidende oordeel van het Hof ligt kennelijk de opvatting ten grondslag dat indien kenbaar is dat constructies kunnen worden opgezet om een (vrijstellende) regeling van toepassing te laten zijn, het achterwege blijven van een wettelijke regeling ter bestrijding daarvan eraan in de weg staat dat het ontgaan van de geldende wetgeving door middel van die constructies wordt bestreden met een beroep op het leerstuk van wetsontduiking. Deze opvatting is onjuist(vgl. HR 10 juli 2009, nr. 43 363, LJN BJ2006, BNB 2009/237).
BNB1992/308). Ook dit oordeel is juist.
BNB1987/129, geen actie heeft ondernomen, kan hieraan niet afdoen. Aan die stelling ligt kennelijk de opvatting ten grondslag dat indien blijkt dat constructies worden opgezet om aan toepassing van een regeling te ontkomen, het uitblijven van een bestrijding van zulke constructies door middel van nadere wetgeving eraan in de weg staat dat het ontgaan van de geldende wetgeving wordt bestreden met een beroep op het leerstuk van fraus legis. Deze opvatting is onjuist, zodat het middel in zoverre faalt.”
7.Slotsom: deal or no deal?
do et das) over de wederkerigheid van de beide schenkingen, als zij rechtens van elkaar mochten verwachten dat tegenover de eigen schenking aan het kind van de ander, een schenking door die ander aan het eigen kind zou staan. Als er echter alleen een feitelijke verwachting bestaat bij de schenkers (
do ut des), is er civielrechtelijk geen ruimte om door de kruislingse schenkingen heen te kijken en vast te stellen dat in wezen door middel van een derdenbeding of een samenstel van rechtshandelingen aan het eigen kind is geschonken.
do ut desgeschonken is aan het kind van de ander en bij
do et dasaan het eigen kind. De fiscale kwalificatie biedt in beginsel ruimte om onder omstandigheden dit civiele vertrekpunt te verlaten. Ik ben echter niet zo’n voorstander van het toepassen van die mogelijkheid bij de kruislingse schenkingen die in dit geval hebben plaatsgevonden. Dat licht ik in 8.13 toe. Mijn voorkeur gaat ernaar uit om fiscaal de civiele kwalificatie van de kruislingse schenkingen te volgen. Daarbij verdient opmerking dat het civiele recht naar mijn mening reële mogelijkheden biedt om met behulp van de Haviltex-norm door de in akten gepresenteerde afzonderlijke rechtshandelingen heen te kijken naar de strekking van het samenstel van die rechtshandelingen.
do ut desdient mogelijk op grond van fraus legis de kruislingse schenking toch worden geherkwalificeerd naar een schenking aan het eigen kind. De omstandigheid dat de wetgever de desbetreffende ontgaansmogelijkheid onder ogen heeft gezien, sluit toepassing van fraus legis niet bij voorbaat uit, met name niet als de belastingplichtige zich heeft bediend van een kunstmatige contructie (6.12).
8.Beoordeling van de klacht
de manier waaropde schenking is vormgegeven. Fraus legis kan mede worden ingeroepen in gevallen waarin weliswaar een reëel doel wordt nagestreefd, maar de manier waarop dat doel wordt nagestreefd hoofdzakelijk belastingverijdelend is (de meerwegenleer). [76] Zie bijvoorbeeld het partnerschapsarrest (6.10): de partijen beoogden daar de onroerende zaken die zij in gemeenschappelijk eigendom hadden onderling te verdelen (een reëel doel dus), maar zij ontdoken de wet door dit te doen middels het voor één dag aangaan van een geregistreerd partnerschap.
door belanghebbende beoogdefiscale gevolgen (…) de weg zou openen naar een herhaalbaar en willekeurig ontgaan van schenkbelasting” (vetgedrukt RJK) (overweging 5.5.3). In de uitspraak van het Hof ligt besloten dat voor het samenhangend geheel van rechtshandelingen – op basis van een waardering van de feiten en omstandigheden – de beweegreden van de betrokkenen, waaronder dus ook belanghebbende, het vermijden van belasting was. Dat oordeel is naar mijn mening voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Voor zover belanghebbende dit oordeel wil bestrijden met een motiveringsklacht, moet die klacht daarom naar mijn mening worden verworpen.