Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
Amsterdamvan 12 Juni 1957 betreffende den hem opgelegden aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1953;
eerstegrief:
tweedegrief:
Hoge Raad
Belanghebbende kocht in 1953 een terrein met opstallen en machines, met het doel een nieuwe fabriek te stichten. De koopprijs werd gesplitst in een bedrag voor het terrein met woonhuis en schuren, en een bedrag voor de afbraak van loodsen en machines. De machines werden later verkocht voor een lagere waarde dan aanvankelijk verwacht, en de loodsen werden afgebroken en elders herbouwd.
De Inspecteur weigerde het verlies op de machines en loodsen als aftrekpost te erkennen, stellende dat deze kosten onderdeel zijn van de stichtingskosten van de fabriek en pas afgeschreven mogen worden na voltooiing. Het Gerechtshof bevestigde dit standpunt en wees de bezwaren van belanghebbende af.
In cassatie betoogde belanghebbende dat afschrijving imperatief is voorgeschreven en dat het verlies op de machines en loodsen in 1953 afgeschreven moet worden. De Hoge Raad oordeelde dat de aanschafkosten van het terrein met opstallen deel uitmaken van de stichtingskosten van de fabriek en dat afschrijving pas na voltooiing van de fabriek mag beginnen. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de lagere opbrengst van de machines en de verplaatsing van de loodsen geen bijzondere omstandigheden vormen die een versnelde afschrijving rechtvaardigen.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee het oordeel van het Gerechtshof dat geen plaats is voor een extra afschrijving in 1953.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat afschrijving pas mag beginnen na voltooiing van de fabriek en geen extra afschrijving in 1953 plaatsvindt.