ECLI:NL:PHR:1998:AA2362
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortbrengingskosten exploratieboringen als bedrijfsmiddel voor investeringsaftrek
De zaak betreft een cassatieberoep van X Corporation tegen het arrest van het Hof Amsterdam dat de geactiveerde kosten van exploratieboringen in 1984 niet als voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel kwalificeerde. X Corporation voerde aan dat bij het voorlopig verlaten van de putten met het oogmerk latere ombouw tot productieput, deze kosten wel als voortbrengingskosten moeten worden beschouwd.
Het Hof oordeelde dat het begrip bedrijfsmiddel pas van toepassing is op het moment van daadwerkelijke ombouw tot productieput, omdat het voorlopig verlaten slechts een openhouden van de mogelijkheid inhoudt en diverse omstandigheden kunnen leiden tot afzien van productie via die put. De Hoge Raad bevestigt dat bij het maken van kosten nog niet vastgesteld kan worden dat sprake is van een bedrijfsmiddel en dat activering van kosten niet automatisch betekent dat sprake is van voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel.
De Hoge Raad benadrukt dat het moment waarop een activum als bedrijfsmiddel wordt aangemerkt, afhankelijk is van het stadium waarin het zich bevindt en dat een bestemmingswijziging later kan leiden tot het ontstaan van een bedrijfsmiddel. Het arrest bevestigt dat goed koopmansgebruik activering kan toestaan, maar dat dit niet gelijkstaat aan het kwalificeren als bedrijfsmiddel.
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het oordeel van het Hof dat de kosten in 1984 niet als voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel kunnen worden aangemerkt. Dit arrest verduidelijkt de grens tussen geactiveerde kosten en bedrijfsmiddelen in het kader van investeringsaftrek en benadrukt het belang van het feitelijke gebruik en de bestemming van het activum.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de in 1984 gemaakte kosten voor exploratieboringen niet als voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel gelden voor investeringsaftrek.