Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
's-Gravenhagevan 29 Juni 1961 in zake den hem opgelegden aanslag in het recht van successie terzake van zijn verkrijging uit de nalatenschap van [A] te [Z], overleden op 21 December 1959;
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg een aanslag successierecht opgelegd over zijn verkrijging uit de nalatenschap van zijn moeder, die kort voor haar overlijden twee schenkingen aan hem had gedaan. De Inspecteur bracht een deel van het geheven schenkingsrecht in mindering op het successierecht, berekend naar evenredigheid van de waarde van de tweede schenking ten opzichte van het totaal van beide schenkingen.
Belanghebbende betwistte deze berekening en stelde dat de mindering moest worden gebaseerd op het schenkingsrecht dat verschuldigd zou zijn geweest indien alleen de eerste schenking had plaatsgevonden, wat resulteerde in een hoger bedrag aan mindering. Het Hof bevestigde echter de methode van de Inspecteur, waarbij het schenkingsrecht over de gecombineerde schenking evenredig wordt verdeeld.
De Hoge Raad oordeelde dat de huidige Successiewet 1956, in afwijking van de oude wet, bepaalt dat het geheven schenkingsrecht in mindering wordt gebracht op het successierecht en dat artikel 28 van Pro de wet vereist dat schenkingen door ouders aan een kind binnen een kalenderjaar als één schenking worden beschouwd. Hierdoor moet het schenkingsrecht evenredig worden verdeeld. Het beroep van belanghebbende werd verworpen omdat de methode van het Hof in overeenstemming is met de wet en de ratio daarvan.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de berekening van het schenkingsrecht in mindering op het successierecht wordt bevestigd.