ECLI:NL:HR:1980:AB7449
Hoge Raad
- Cassatie
- Dubbink
- Snijders
- Royer
- Martens
- de Groot
- Rechtspraak.nl
Toepasselijkheid uitzonderingsbepaling art. 1:158 BW op huwelijksvoorwaarden voor het huwelijk gesloten
De zaak betreft een geschil tussen echtgenoten over de toewijzing van alimentatie na ontbinding van het huwelijk. De man verweerde zich primair met een huwelijksvoorwaarde die zij voor het huwelijk hadden gesloten, waarin zij afstand deden van levensonderhoud na echtscheiding. De rechtbank verwierp dit verweer omdat het beding nietig zou zijn op grond van artikel 400, tweede lid, BW, omdat het nihil-bedingen van artikel 158 BW Pro alleen door echtgenoten tijdens het huwelijk kunnen worden gemaakt met het oog op echtscheiding.
De man stelde subsidiar dat de alimentatie niet in overeenstemming was met zijn beperkte financiële middelen en de korte duur van het huwelijk. De rechtbank vroeg nadere inlichtingen over deze punten. In cassatie stond centraal of de uitzondering in artikel 158 BW Pro ook geldt voor overeenkomsten gesloten vóór het huwelijk door aanstaande echtgenoten.
De Hoge Raad oordeelde dat de uitzondering van artikel 158 BW Pro uitsluitend ziet op overeenkomsten die tijdens het huwelijk zijn gesloten met het oog op echtscheiding. Dit volgt uit de wettekst, de wetsgeschiedenis en de samenhang met artikel 159 BW Pro. Overeenkomsten gesloten vóór het huwelijk vallen niet onder deze uitzondering en zijn derhalve nietig op grond van artikel 400, tweede lid, BW. Het cassatiemiddel werd verworpen en het beroep afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het nihil-bedingen in huwelijksvoorwaarden gesloten vóór het huwelijk niet rechtsgeldig is en verwerpt het cassatieberoep.