ECLI:NL:HR:1981:AG4207
Hoge Raad
- Cassatie
- Ras
- Snijders
- Haardt
- Martens
- de Groot
- Rechtspraak.nl
Beoordeling moment gevaar en hulploon bij sleepbootassistentie onderzeeër Zwaardvis
De zaak betreft een geschil tussen Haaland, exploitant van sleepboten, en de Staat over de toekenning van hulploon voor assistentie aan de onderzeeër Zwaardvis die op 17 juli 1973 in moeilijkheden raakte nabij Stavanger. De Zwaardvis had door een defect water in de machinekamer gekregen en kon tijdelijk niet op eigen kracht varen. Haaland stuurde de sleepboot Haabrand om de onderzeeër te slepen naar een haven voor reparatie en schoonmaak van de door zout water beschadigde apparatuur.
De kernvraag was op welk moment moet worden beoordeeld of de Zwaardvis in gevaar verkeerde in de zin van artikel 552 lid 1 van Pro het Wetboek van Koophandel, wat bepalend is voor het recht op hulploon. De Rechtbank en het Hof stelden het moment van vastmaken van de sleepboot aan de Zwaardvis als beslissend, en concludeerden dat de Zwaardvis toen niet meer in gevaar verkeerde. Haaland stelde dat het moment van uitvaren van de Haabrand bepalend is en dat de Zwaardvis toen wel degelijk in gevaar verkeerde.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en oordeelt dat het moment van uitvaren van de hulpboot bepalend is voor het gevaar van het schip. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het gevaar op het moment van vastmaken niet bestond, met name gelet op de positie van de Zwaardvis, de benodigde snelheid en manoeuvreerbaarheid, en de schade aan de apparatuur. De zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling en beslissing.
De Hoge Raad benadrukt dat hulploon slechts verschuldigd is indien het schip op het moment van hulpverlening in gevaar verkeert, waarbij hulpverlening begint bij het uitvaren van de hulpboot. De beoordeling moet rekening houden met de omstandigheden die het gevaar bepalen, inclusief de toestand van het schip en de situatie aan boord, en de mate waarin het schip zichzelf kan redden.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling met inachtneming van het oordeel dat het moment van uitvaren bepalend is voor het gevaar en recht op hulploon.