Uitspraak
[woonplaats].
25 oktober 1983.
Hoge Raad
De zaak betreft een veroordeling voor diefstal van een tafelkleed door verdachte en haar mededader. De verdachten hadden het kleed meegenomen uit een winkel nadat een klacht over een defect kleed niet werd ingewilligd. Zij stelden dat hun handelen niet was gericht op wederrechtelijke toeëigening, maar op de juiste uitvoering van een koopovereenkomst.
Het Hof had hen veroordeeld wegens diefstal met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, waarbij het overwoog dat verdachte zich bewust had blootgesteld aan de kans op diefstal omdat zij was gewaarschuwd door de winkelier. De verdediging stelde dat het opzet ontbrak omdat men meende gerechtigd te zijn tot ruiling.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onvoldoende had onderzocht of het recht op ruiling bestond en dat het oordeel over het opzet onverenigbaar was met de bewezenverklaring. De mogelijkheid van voorwaardelijke opzet werd open gelaten terwijl dit in de bewezenverklaring werd uitgesloten. Daarom werd het arrest vernietigd en de zaak verwezen voor hernieuwde behandeling.
De Hoge Raad benadrukte dat het ontbreken van toestemming niet automatisch leidt tot wederrechtelijkheid indien een recht op ruiling aannemelijk is. Het strafbare feit vereist immers opzet op wederrechtelijke toeëigening, wat hier onvoldoende was vastgesteld.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van het opzet op wederrechtelijke toeëigening en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde behandeling.