Uitspraak
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
[verdachte] ,
primair
hij in de periode van 01 november 2014 tot en met 02 februari 2015 te Axel, gemeente Terneuzen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever] en/of [benadeelde 2] heeft bewogen tot de afgifte van een of meerdere geldbedragen van in totaal ongeveer 23.000,-- Euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, zonder vergunning als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid van de Wet op het financieel toezicht, genoemde [aangever] en/of [benadeelde 2] benaderd teneinde een spaarrekening bij zijn, verdachte’s kantoor ( [bedrijf] ) te openen waarop zij geld konden storten en/of verteld dat zij een goede rente van 3,3 procent konden krijgen, terwijl hij, verdachte een assurantiekantoor had en die [aangever] en/of [benadeelde 2] verzekeringen hadden lopen bij het assurantiekantoor van verdachte en (mede waardoor) die [aangever] en/of [benadeelde 2] vertrouwen hadden in verdachte, waardoor [aangever] en/of [benadeelde 2] werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;
hij in maart 2016 te Axel, gemeente Terneuzen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 3] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 117.600,-- Euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, zonder vergunning als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid van de Wet op het financieel toezicht, aan die [benadeelde 3] voorgesteld om haar spaargeld bij zijn, verdachte’s kantoor ( [bedrijf] ) onder te brengen met een rentepercentage van 4 procent op jaarbasis, zijnde een hoger rentepercentage dan wanneer die [benadeelde 3] haar geld op de bank zou zetten, terwijl hij, verdachte, een assurantiekantoor had en door verdachte en/of zijn assurantiekantoor de boekhouding werd gedaan van die [benadeelde 3] en (mede waardoor) die [benadeelde 3] vertrouwen had in verdachte, waardoor [benadeelde 3] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 9 juni 2016 (dossierpagina’s 187-188), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde 1] :
hof: [benadeelde 1]) mag willekeurige bedragen storten op bankrekeningnummer
hof: [verdachte]) maakt jaarlijks in de maand januari een fiscaal overzicht.
2. Een aantal schriftelijk stukken als bijlagen gevoegd bij de aangifte van [benadeelde 1] (dossierpagina’s 190-191), inhoudende:
3. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 20 juni 2016 (dossierpagina’s 246-248), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [aangever] :
het hof begrijpt: [benadeelde 2]) en ik zijn al een jaar of 27 verzekerd bij [bedrijf] . Een groot deel van onze verzekeringen loopt via dit kantoor. Het [bedrijf] is gevestigd te Axel. [verdachte] is eigenaar van dit Assurantiekantoor. Wij hadden het grootste vertrouwen in dit kantoor. Ergens in november 2014, zijn wij benaderd door [verdachte] . Wij hadden in het verleden bij hem ook een spaarrekening gehad, toen hij nog een bank had. Omdat wij dit in het verleden bij hem hadden gehad benaderde hij ons opnieuw om een spaarrekening bij hem te openen. Dit omdat hij hier weer mee ging beginnen. Wij konden een goede rente krijgen bij hem namelijk 3.3%. Wij zijn toen bij hem op kantoor geweest en hebben specifiek aan hem gevraagd of alles in orde was. Dit omdat er op dat moment bijna bij geen een spaarrekening rente gegeven werd. [verdachte] vertelde ons dat het allemaal in orde was. En dat het een eerlijke zaak was. Dit hebben wij geloofd.
hof: 24 december 2014) hebben wij toen een bevestiging gekregen dat er een bankrekening geopend was waar wij ons geld op konden storten.
4. Een aantal schriftelijke stukken gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juni 2017 (dossierpagina’s 249-253) inhoudende:
een tweetal door [verdachte] ondertekende brieven d.d. 24 december 2014 aan [aangever] (p. 250) respectievelijk [benadeelde 2] ( p. 251) inhoudende telkens:
- aan [aangever] (p. 252) dat een bedrag van € 10.000,00 (14-01-2015) en een bedrag van € 7.000,00 (02-02-2015) in een nieuw geopend deposito is opgenomen;
- aan [benadeelde 2] (p. 253) inhoudende dat een bedrag van € 4.000,00 (14-01-2015) en een bedrag van € 2.000,00 (02-02-2015) in een nieuw geopend deposito is opgenomen
5. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 5 november 2016 (dossierpagina’s 385-387), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde 3] :
hof: verdachte [verdachte]) een afspraak hebben maar hij belde van tevoren dat hij niet thuis zou zijn. Vervolgens hoorden we niets meer van hem. We hebben getracht hem meerdere malen te contacten via telefoon maar opeens was zijn nummer niet meer bereikbaar. Nu is al mijn spaargeld weg.
6. Een schriftelijke stuk gevoegd bij het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 3] (dossierpagina 388) inhoudende:
7. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 23 november 2016 (dossierpagina’s 414-416), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde 4] :
het hof begrijpt gelet op p. 454 dat wordt bedoeld: 30.000 euro) overgemaakt op rekening [rekeningnummer 3] . Hierbij heb ik ook de code 6880 geschreven.
het hof begrijpt gelet op p. 424:
01 augustus 2013) heb ik een bedrag overgemaakt van 20.000 euro. Op 24 januari 2014, heb ik een bedrag overgemaakt van 10.00,- euro (
het hof begrijpt gelet op p. 436: 10.000 euro). Op 31 maart 2014 heb ik het laatste bedrag van 25.000 euro overgemaakt. In totaal heb ik een bedrag van 95.000 euro overgemaakt. Ik heb alles overgemaakt naar de rekening van [bedrijf]
hof: Autoriteit Financiële Markten). Mijn advocaat heeft verschillende brieven geschreven maar ook hij kreeg geen antwoord op de vragen om mijn geldbedragen terug te storten. Ik wil mijn resterende € 86.396,01 terug.
8. Een aantal schriftelijk stukken als bijlagen gevoegd bij de aangifte van [benadeelde 4] (dossierpagina’s 418, 424-424, 457-460), inhoudende:
een aantal handgeschreven notities op briefpapier van “ [bedrijf] , met daarop de vermelding:
9. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 3 juni 2017 (dossierpagina’s 506-508), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde 5] :
10. Een aantal schriftelijk stukken als bijlagen gevoegd bij de aangifte van [benadeelde 5] (dossierpagina’s 509-519), inhoudende:
een brief d.d. 7 april 2016 van [bedrijf] aan mr. [benadeelde 5] (hof: [benadeelde 5]), waarin wordt bevestigd dat op rekening-courant deposito is gestort:
hof: aangeefster [benadeelde 5])
hof: aangeefster [benadeelde 5])
11. Het proces-verbaal van bevindingen van 7 juni 2017 (dossierpagina’s 545-547), voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant] :
12. Een schriftelijk stuk, inhoudende een brief van AFM aan [bedrijf] , de heer [verdachte] d.d. 21 maart 2016:
13. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 28 februari 2018 (dossierpagina’s 141-148), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :
Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 maart 2018 (dossierpagina’s 149-152), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :
15. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd tijdens de terechtzitting in eerste aanleg van 12 maart 2021, voor zover inhoudende:
16. De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2023, voor zover inhoudende:
oplichting.
oplichting.
oplichting.
oplichting.
oplichting.
,nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
,nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
,nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
,nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
€ 45.500,00 (vijfenveertigduizend vijfhonderd euro) bestaande uit € 45.000,00 (vijfenveertigduizend euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
€ 117.600,00 (honderdzeventienduizend zeshonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
€ 84.405,00 (vierentachtigduizend vierhonderdvijf euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
€ 84.405,00 (vierentachtigduizend vierhonderdvijf euro)als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.