Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Leeuwardenvan 31 maart 1983 betreffende de hem opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting voor het tijdvak 1 januari 1978 tot en met 31 maart 1980.
Hoge Raad
Belanghebbende nam in oktober 1979 de bedrijfsinventaris, goederenvoorraad en bowlingbaaninstallatie van zijn eigen vennootschap [A] over, waarvoor omzetbelasting werd gefactureerd. Hij vroeg vervolgens teruggaaf van deze omzetbelasting, die aanvankelijk werd verleend door de Inspecteur. Na onderzoek legde de Inspecteur een naheffingsaanslag op met een verhoging wegens opzet, omdat volgens artikel 31 Wet Pro omzetbelasting geen belasting verschuldigd was bij overdracht van een gehele onderneming.
Het Hof vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en beperkte het geschil tot de hoogte van de verhoging. Het Hof oordeelde dat sprake was van opzet door belanghebbende, die als directeur en enig aandeelhouder van [A] bewust gebruik wilde maken van de regeling, en handhaafde de naheffingsaanslag met een vermindering van de verhoging tot 25 procent.
Belanghebbende stelde in cassatie dat hij niet verantwoordelijk was voor het niet afdragen van de belasting door [A], dat hij niet voldoende gelegenheid had gehad om fouten te herstellen en dat de Inspecteur een eigen fout herstelde. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte de naheffingsaanslag had verminderd en dat de Inspecteur terecht de aanslag ambtshalve had verminderd, waarbij de naheffingsaanslag en het besluit tot kwijtschelding van de verhoging gehandhaafd blijven.
De Hoge Raad verwierp de grieven van belanghebbende en bevestigde dat de Inspecteur bevoegd was de naheffingsaanslag op te leggen en dat de verhoging terecht was vastgesteld wegens opzet. De uitspraak van het Hof werd vernietigd en de zaak definitief afgedaan.
Uitkomst: De Hoge Raad handhaaft de naheffingsaanslag omzetbelasting en het besluit tot kwijtschelding van de verhoging zoals ambtshalve verminderd door de Inspecteur.