Conclusie
1.Overzicht van de zaak en de conclusie
daarnaeen bezwaarprocedure start waarbij hij kosten maakt, en de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de WOZ-waarde niet verder verlaagt.
De vraagis of de belanghebbende in zo’n situatie recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, omdat de WOZ-waarde na uitspraak op bezwaar lager is dan de aanvankelijk vastgestelde WOZ-waarde. Dit is een juridische-technische vraag die echter maatschappelijk gezien een bredere context heeft (3.1-3.7).
oordeel 1). Het Hof oordeelt verder (i) dat aangezien de verminderingsbeschikking strekt tot wijziging van de WOZ-beschikking zelf, het bestreden besluit als bedoeld in art. 7:15 Awb Pro de WOZ-beschikking is na de ambtshalve vermindering, en (ii) dat aangezien dat besluit niet is herroepen naar aanleiding van het bezwaar, er geen recht bestaat op een kostenvergoeding voor bezwaar
(oordeel 2). Het Hof acht het beroep bij de Rechtbank niettemin gegrond omdat de uitspraak op bezwaar een dictumfout (gegrond in plaats van ongegrond) bevat. Het Hof hanteert een wegingsfactor 0,25 voor het gewicht van de zaak bij de toekenning van de proceskostenvergoeding voor beroep (
oordeel 3).
eerste middelricht zich tegen oordeel 1. Belanghebbende betoogt in de kern dat de bevoegdheid tot ambtshalve vermindering beperkt is tot de gevallen omschreven in het Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken en dat in dit geval niet aan de voorwaarden is voldaan zoals gesteld in het Uitvoeringsbesluit.
ambtshalveaan de orde of er wel een belang is bij beoordeling van dit middel (4.4-4.8). Voor zover in het middel besloten ligt het betoog dat de verminderingsbeschikking non-existent is, is er een belang. Dat betoog is echter onjuist gelet op het frauduleuze-teruggaaf-arrest (4.5). Voor het overige lijkt er geen belang te zijn: de verminderingsbeschikking is onaantastbaar in deze procedure (4.6), en los daarvan is er geen rechtens te honoreren procesbelang bij bestrijding van de rechtmatigheid van de verminderingsbeschikking (4.7).
tweede middelricht zich tegen oordeel 2. In wezen is daarbij de vraag wat voor de beoordeling of recht bestaat op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, als bestreden besluit in de zin van art. 7:15(2) Awb heeft te gelden (i) de primair vastgestelde waarde (benadering Rechtbank), of (ii) de vastgestelde waarde ná de verminderingsbeschikking (benadering Hof). Voor beide benaderingen zijn aanknopingspunten te vinden in de wettelijke systematiek (5.8). Niettemin lijkt mij de benadering van het Hof juist. Het uitgangspunt van het Hof dat de verminderingsbeschikking leidt tot wijziging van de primaire WOZ-beschikking zelf, spoort met jurisprudentie van de Hoge Raad (5.9-5.10). Verder past de benadering van het Hof bij de achtergrond van de kostenvergoedingsregeling die gelegen is in de schadevergoedingsjurisprudentie (5.18-5.23). In een geval als dit is de onrechtmatigheid (de te hoog vastgestelde WOZ-waarde) reeds opgeheven (door de ambtshalve vermindering) voordat bezwaar is gemaakt. De kosten van bezwaar vormen dus geen schade als gevolg van onrechtmatig handelen. De wetgever heeft met de wettelijke kostenvergoedingsregeling geen ruimere, maar juist een beperktere, kostenvergoedingsplicht willen creëren. Voor de benadering van de Rechtbank pleit wel de eenvoud, omdat de benadering van het Hof tot afbakeningsvragen leidt, maar dat acht ik onvoldoende zwaar wegen (5.25). Ik wijs voorts nog op mogelijke (onwenselijke) gedragseffecten indien de benadering van het Hof wordt afgewezen (5.26). Het tweede middel faalt dus.
derde middelricht zich tegen oordeel 3 inzake de wegingsfactor voor de zaakzwaarte. Het Hof heeft voor zijn oordeel over de wegingsfactor (0,25) in aanmerking genomen dat het beroep slechts gegrond is om een procedurele reden, namelijk de dictumfout in de uitspraak op bezwaar. Ik meen dat, gelet op het arrest HR BNB 2022/128, belanghebbende strikt genomen terecht erover klaagt dat het Hof daarmee een element in aanmerking heeft genomen dat niet relevant is voor de zaakzwaarte (6.4-6.7). Inhoudelijk gezien zijn er echter twee redenen om niet in te grijpen. Ten eerste kan worden betwijfeld of er wel sprake is van een dictumfout (6.9). Ten tweede volgt uit het arrest HR BNB 2022/120 – dat naar mijn mening (dienovereenkomstig) geldt voor een dictumfout in de uitspraak op bezwaar – dat vernietiging wegens een dictumfout slechts aangewezen is indien de belangen van de betrokkene daarmee kunnen worden gediend, wat hier niet het geval is (6.10). Het Hof had dus niet eens een proceskostenvergoeding hoeven toe te kennen. Procedurele complicatie is dat het College geen verweerschrift heeft ingediend en geen incidenteel cassatieberoep heeft ingesteld. Ik meen dat een evenwichtige oplossing is om enerzijds niet ambtshalve te casseren en anderzijds te oordelen dat het derde middel hoewel gegrond niet tot cassatie kan leiden (6.11).
een handreiking voor lezingvan deze conclusie, mede omdat zij langer is dan ik wenselijk acht. Een aanzienlijk deel van de conclusie betreft weergave van de regelgeving en van de ontwikkeling daarin (4.9-4.42). Wie vooral geïnteresseerd is in de analyse aan de hand van die bronnen, kan na 4.8 direct doorgaan naar 4.49.
2.De feiten, de oordelen van de feitenrechters en het geding in cassatie
De feiten
Het Hofstelt de Heffingsambtenaar grotendeels in het gelijk. [5]
eerste middelbestrijdt het oordeel van het Hof dat de Heffingsambtenaar bevoegd was om de vastgestelde WOZ-waarde ambtshalve te verminderen. Het
tweede middelbestrijdt het oordeel dat het bestreden besluit als bedoeld in art. 7:15 Awb Pro de WOZ-beschikking is na de ambtshalve vermindering. Het
derde middelbestrijdt de vaststelling van de wegingsfactor voor de zaakzwaarte op 0,25.
3.Vooraf: nadere context
free lunchesniet bestaan; het inschakelen van een WOZ-bezwaarbureau brengt wél kosten mee voor burgers, namelijk indirect: de kosten van de gemeente die gemoeid zijn met het behandelen van de bezwaren en de (proces)kostenvergoedingen voor de WOZ-bezwaarbureaus drukken uiteindelijk wel op de burgers omdat die kosten en vergoedingen wel ergens betaald van moeten worden. Gemeenten pogen burgers ertoe te bewegen om (in eerste instantie) zelf contact op te nemen met de gemeente of zelf bezwaar te maken. Een kleine greep uit recente media-uitingen over deze strijd:
4.Bevoegdheid tot ambtshalve vermindering van de vastgestelde WOZ-waarde
Inleiding
niet“slechts een technische verbetering van de wettekst [werd] doorgevoerd”. Ik kom op dit een en ander terug in 4.50 en verder. Ik merk verder op dat bij de beschrijving van de historische ontwikkeling ook relatief veel aandacht uitgaat naar art. 29 Wet Pro WOZ, hoewel dat artikel (ogenschijnlijk) alleen een bekendmakingregeling is. Deze aandacht heeft te maken met het arrest HR BNB 2001/56 dat in 4.60 e.v. aan bod komt.
Invoering Wet WOZ en parlementaire behandeling
Invoering Uitvoeringsbesluit
B en W tevens ontslaatvan de verplichting – en
van de bevoegdheid–
om aandacht te schenken aan waardeverschillen die de drempel niet te boven gaan.”
Wetsvoorstel Herziening van het fiscale procesrecht: art. 65 AWR Pro-verwijzing opgenomen en er weer uit
en vervalt de verwijzing naar artikel 65, eerste lid, eerste volzin, Awr.”
Wijzigingen in het Uitvoeringsbesluit
En nog een korte blik op de mogelijke toekomst
moetweigeren.
[hier: 4.18-4.23, 4.24, 4.32 en 4.34-4.37; MP]geciteerde wetsgeschiedenis niet dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat de heffingsambtenaar niet bevoegd is een WOZ-beschikking ambtshalve te herzien door een WOZ-waarde ambtshalve te verminderen. In de oorspronkelijke, tot 1 januari 1998 geldende, versie van artikel 30, lid 1 Wet WOZ was die bevoegdheid zelfs expliciet neergelegd in de tekst van de wet. Uit de onder 4.6 en 4.7
[hier: 4.24 en 4.32; MP]geciteerde wetsgeschiedenis – onderschreven en bevestigd door de onder 4.9
[hier: 4.36-4.37; MP]geciteerde parlementaire behandeling van wetsvoorstel 25 175 – blijkt dat de wetgever deze expliciete verwijzing uit wetstechnische overwegingen niet noodzakelijk achtte. Volgens de wetgever kan het bestaan van die bevoegdheid immers worden afgeleid uit artikel 29, lid 2, Wet WOZ. Door in artikel 30, lid 1 Wet WOZ niet langer te verwijzen naar artikel 65, lid 1, eerste volzin AWR werd door de wetgever geen inhoudelijke wijziging beoogd, in die zin dat de heffingsambtenaar niet langer bevoegd zou zijn een beschikking ambtshalve te herzien door de WOZ-waarde te verminderen, maar werd, in tegendeel, slechts een technische verbetering van de wettekst doorgevoerd. Uit de in 4.6
[hier: 4.24; MP]geciteerde wetsgeschiedenis leidt het Hof af dat de wetgever juist voor ogen heeft gestaan dat een ambtshalve vermindering kan plaatsvinden in alle gevallen waarin ten onrechte een kennelijk te hoge waarde is vastgesteld en niet slechts in een aantal nauwkeurig omschreven situaties.”
“Door in artikel 30, lid 1 Wet WOZ niet langer te verwijzen naar artikel 65, lid 1, eerste volzin AWR werd door de wetgever geen inhoudelijke wijziging beoogd, in die zin dat de heffingsambtenaar niet langer bevoegd zou zijn een beschikking ambtshalve te herzien door de WOZ-waarde te verminderen, maar werd, in tegendeel, slechts een technische verbetering van de wettekst doorgevoerd.”Als deze passage zeer letterlijk wordt gelezen, namelijk dat door wetgever met het vervallen van de art. 65-verwijzing geen “
wijziging [werd] beoogd, in die zin dat de heffingsambtenaar niet langer bevoegd zou zijn een beschikking ambtshalve te herzien door de WOZ-waarde te verminderen”,dan onderschrijf ik dat. De regelgever had immers inmiddels het Uitvoeringsbesluit ingevoerd waaruit de bedoelde bevoegdheid blijkt. In het licht van de rest van de zin (met name de passage ‘
werd (…) slechts een technische verbetering van de wettekst doorgevoerd’),de context van de hele rov. 4.10, het niet-noemen van het Uitvoeringsbesluit, en de wijze van weergave van de wetsgeschiedenis (direct de sprong van (de geschiedenis van) de invoering van de Wet WOZ naar het vervallen van de art. 65-verwijzing), begrijp ik het Hof echter zo dat het de opvatting heeft dat de wetgever met het vervallen van de art. 65-verwijzing materieel geen wijziging beoogt ten opzichte van de situatie bij invoering van de Wet WOZ toen die verwijzing wel was opgenomen in art. 30 Wet Pro WOZ.
(hier: 4.37) is inderdaad een technische verbetering, maar naar mijn mening een technische verbetering in andere zin dan het Hof begrijpt (zie 4.38). Denkelijk heeft het Hof zich verder laten leiden door de naam van de wet waarbij de art. 65-verwijzing is vervallen (“de wet (…) houdende wijzigingen van technische aard van enige belastingwetten c.a.”), al dan niet in combinatie met de algemene toelichting op het desbetreffende wetsvoorstel die spreekt over “wijzigingen (…) die niet beleidsmatig van aard zijn maar dienen tot herstel van in de afgelopen jaren gebleken onjuistheden.” Deze gegevens zijn namelijk vermeld in rov. 4.7 (hier: 4.32), waarnaar het Hof in rov. 4.10 expliciet verwijst. Zoals (nader) uiteengezet in 4.33 acht ik het gebruik in de toelichting van de term ‘onjuistheid’ voor zover het gaat om de art. 65-verwijzing bepaald ongelukkig, en meen ik dat – in de context van de eerder invoering van het Uitvoeringsbesluit – een verklaring valt te geven voor de (kennelijke) typering van (ook) het vervallen van de art. 65-verwijzing als ‘een wijziging van technische aard’. In de kern: vermoedelijk zal in de visie van de staatssecretaris van Financiën het vervallen van de verwijzing niet meer zijn geweest dan het technische sluitstuk van een beleidsmatige wijziging, waarvan de beleidsmatige kant al zijn beslag had gekregen door invoering van het Uitvoeringsbesluit.
“blijkt dat de wetgever deze expliciete verwijzing [in art. 30 Wet Pro WOZ naar art. 65 AWR Pro; MP] uit wetstechnische overwegingen niet noodzakelijk achtte”voor de bevoegdheid van de heffingsambtenaar om een vastgestelde WOZ-waarde ambtshalve te verminderen. Zo het Hof daarmee bedoelt dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat volgens de wetgever een expliciete wettelijke grondslag niet nodig is, kan dat niet uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid. Ten eerste, zwaarwegende tegenargumenten zijn (i) het feit dát de art. 65-verwijzing bij invoering van de Wet WOZ wel was opgenomen, en (ii) het feit dat de art. 65-verwijzing pas vervallen is toen elders al – in het Uitvoeringsbesluit – een regeling is opgenomen over ambtshalve vermindering. Ten tweede, de verwijzing van het Hof naar de wetsgeschiedenis opgenomen in rov. 4.6, 4.7 en 4.9, overtuigt niet. De steun die het Hof ontleent aan de wetsgeschiedenis aangehaald in rov. 4.9
(hier: 4.37) berust, zoals zojuist gezien (zie 4.53), op een onjuiste duiding van de desbetreffende passage. Ook de wetsgeschiedenis aangehaald in rov. 4.7 (hier: 4.32) biedt geen steun. Het vervallen van de art. 65-wijziging is weliswaar opgenomen in een wet met ‘wijzigingen van technische aard’ en is weliswaar in het desbetreffende wetsvoorstel verder niet toegelicht, maar dat moet – zoals eerder gezien (zie in 4.33 en 4.53) – worden bezien in de context van de eerdere invoering van het Uitvoeringsbesluit. Blijft over de wetsgeschiedenis die het Hof aanhaalt in rov. 4.6 (hier: 4.24). Zoals in 4.24 vermeld, acht ik de desbetreffende twee passages curieus omdat niet verwezen wordt naar art. 30 Wet Pro WOZ. Los daarvan, aan de eerste passage valt niet te ontlenen dat de wetgever een expliciete verwijzing in art. 30 Wet Pro WOZ naar art. 65 AWR Pro niet noodzakelijk achtte. De tweede passage biedt daarvoor wel steun gelet op de (onjuiste) opmerking dat “[d]e mogelijkheid van ambtshalve herziening van de waarde indien deze te hoog is vastgesteld, (…) niet expliciet in de wet [is] vastgelegd.” Tegenover al het andere, kan naar mijn mening echter op alleen deze passage niet worden gebaseerd dat de wetgever de art. 65-verwijzing uit wetstechnische overwegingen niet noodzakelijk achtte. Bedacht dient daarbij ook te worden dat deze passage onderdeel is van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel waarbij de art. 65-verwijzing juist wel is opgenomen. [68]
nietonherroepelijk vaststaat, ambtshalve te verminderen. Op basis van de tekst kan immers niet worden geconcludeerd dat
alleenindien sprake is van een onherroepelijk vaststaande beschikte WOZ-waarde, de heffingsambtenaar de bevoegdheid tot ambtshalve vermindering heeft. Ook de toelichting biedt voor een negatief antwoord geen (duidelijke) steun.
nietworden gebaseerd op art. 29 Wet Pro WOZ. Dat artikel gaat naar mij voorkomt immers uit van het bestaan van de mogelijkheid van (en daarmee de bevoegdheid tot) ambtshalve vermindering, maar creëert geen bevoegdheid. Althans de huidige tekst (4.11) noch de tekst zoals die destijds luidde bij invoering van de Wet WOZ noch de oorspronkelijk voorgestelde tekst (zie 4.23) biedt daarvoor een duidelijk aanknopingspunt. Dat geldt ook voor de toelichting op deze laatste twee teksten (4.23). De aard van de regeling duidt daar evenmin op; art. 29 Wet Pro WOZ is een bekendmakingsregeling (vgl. 4.23 en 4.31). [70] Ook het feit dat de wetgever aanvankelijk heeft voorzien in een art. 65-verwijzing in art. 30 Wet Pro WOZ is een duidelijke contra-indicatie; die verwijzing was immers anders niet nodig geweest. Ik merk verder op dat zelfs de in 4.24 aangehaalde memorie van antwoord geen steun biedt voor de opvatting dat art. 29 Wet Pro WOZ
als zodanigals grondslag dient voor de bevoegdheid tot ambtshalve vermindering. Nog ervan afgezien dat, als eerder gezegd, de desbetreffende passages mijn inziens wat curieus zijn, is eerder steun voor het tegendeel uit die memorie van antwoord af te leiden. De memorie stelt immers dat “[d]e mogelijkheid van ambtshalve herziening (…) niet expliciet in de wet [is] vastgelegd” en vermeldt in verband met art. 29 Wet Pro WOZ niet meer dan: “Dat die mogelijkheid [tot ambtshalve herziening; MP] wel bestaat is af te leiden uit artikel 29, tweede lid.”
wiebevoegd is (niet het college van burgemeesters en wethouders maar de heffingsambtenaar) en (ii) de werking van art. 6:18 en Pro 6:19 (oud) Awb. Voor deze zaak is echter van belang de openingszin van de Hoge Raad:
zulks - naar ik veronderstel - op de voet van art. 29, lid 1, aanhef en onderdeel a, Wet WOZ.
en eventueel - op de voet van art. 29, lid 1, aanhef en onderdeel a, Wet WOZ - ook weer kan intrekken. WOZ-beschikking II had dus door die ambtenaar moeten worden vastgesteld en niet door het College.”
wiebevoegd is tot de handeling, en niet zozeer naar de vraag wat de grondslag voor de bevoegdheid tot die handeling is (al lijkt mij het eerste niet los te kunnen worden gezien van het tweede). Hoe dan ook, in aanmerking genomen wat ik hiervoor in 4.59 betoog over de tekst, de wetsgeschiedenis en de aard van art. 29 Wet Pro WOZ, tast ik in het duister wat de onderliggende redenering voor de opvatting van de Hoge Raad is. Wellicht moet het arrest zo worden begrepen dat de bedoelde bevoegdheid uit art. 29 Wet Pro WOZ kan worden afgeleid (maar dat staat er niet).
Alsde bevoegdheid tot ambtshalve vernietiging inderdaad haar grondslag heeft in art. 29(1)(a) Wet WOZ, dan lijkt gelet op de systematiek van de tekst van art. 29(1) Wet WOZ bezwaarlijk anders te kunnen worden geoordeeld dan dat de bevoegdheid tot ambtshalve vermindering kan worden gebaseerd op art. 29(1)(b) Wet WOZ.
Referentiewaarde: de primair vastgestelde WOZ-waarde of de vastgestelde WOZ-waarde na ambtshalve vermindering?