Uitspraak
[X] B.V.te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 4 januari 1983 betreffende de aan haar voor het jaar 1979 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, een besloten vennootschap, was het niet eens met de aanslag vennootschapsbelasting over 1979, waarbij de Inspecteur geen volledige aftrek van een voorziening voor VUT-verplichtingen accepteerde.
Het hof Den Haag oordeelde dat de VUT-regeling geen juridisch afdwingbare verplichtingen bevatte jegens werknemers geboren na 1 januari 1918 en dat de lasten slechts betrekking hadden op het jaar 1979. Het hof wees een lagere voorziening af en achtte alleen de waarde van ingegane VUT-verplichtingen aftrekbaar.
De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat indien er een stellige verwachting bestond dat werknemers gebruik kunnen maken van de VUT-regeling, belanghebbende een voorziening tot gelijkmatige verdeling van kosten mag vormen. Daarbij moeten sterfte-, blijf- en deelnamekansen en een rentefactor worden meegenomen.
De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor een nadere beoordeling van de omvang van de dotaties die ten laste van de winst kunnen worden gebracht. Hiermee wordt erkend dat toekomstige VUT-verplichtingen fiscaal relevant zijn en dat een lineaire egalisatiereserve passend is.
De Hoge Raad bevestigt dat het subjectieve oordeel van de belastingplichtige niet doorslaggevend is voor het bestaan van juridisch afdwingbare verplichtingen, maar dat het objectieve bestaan daarvan bepalend is voor passivering op de balans.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de fiscale waardering van de VUT-verplichtingen.