Uitspraak
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
Amsterdamvan 27 december 1982 betreffende haar verzoek tot teruggaaf van omzetbelasting over het tweede kwartaal van 1979;
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof inzake de teruggaaf van omzetbelasting over het tweede kwartaal van 1979. Belanghebbende, een organisatie die vluchtelingen opvangt en begeleidt zonder vergoeding te vragen, had een verzoek tot teruggaaf van omzetbelasting ingediend dat door de Inspecteur werd afgewezen. Het Hof bevestigde deze afwijzing, stellende dat belanghebbende geen ondernemer is in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 omdat zij uitsluitend prestaties om niet verricht.
Belanghebbende voerde aan dat het begrip ondernemerschap in de Wet en de Zesde richtlijn ruimer moet worden geïnterpreteerd, zonder de eis van een vergoeding voor de verrichte prestaties. De Hoge Raad overwoog echter dat het begrip belastingplichtige in de Zesde richtlijn en het begrip ondernemer in de Nederlandse wetgeving in deze context gelijk moeten worden gesteld. Het Hof van Justitie had eerder geoordeeld dat wie uitsluitend om niet diensten verricht jegens ondernemers niet als belastingplichtige kan worden aangemerkt.
De Hoge Raad concludeert dat belanghebbende niet als belastingplichtige kan worden beschouwd en dus geen recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting. Het beroep in cassatie wordt verworpen. Deze uitspraak bevestigt de strikte toepassing van het ondernemerschapsbegrip in het kader van de omzetbelasting en het belang van een vergoeding voor het verrichten van prestaties.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; belanghebbende is geen ondernemer en heeft geen recht op teruggaaf van omzetbelasting.