Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Hertogenboschvan 5 oktober 1983 betreffende de aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1974 tot en met 1976.
Hoge Raad
Belanghebbende exploiteert een camping in de gemeente [Z] en bracht aan zijn gasten afzonderlijk een bedrag onder de naam toeristenbelasting in rekening. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op omdat deze bedragen volgens hem tot de belastbare omzet behoren. Het hof oordeelde echter dat deze bedragen niet als uitschotten konden worden aangemerkt en bevestigde de aanslag.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in en voerde aan dat de toeristenbelasting niet tot de vergoeding voor de dienst behoort, maar een belasting is die drukt op het verblijf zelf, en dat de bedragen daarom als uitschotten moeten worden beschouwd. De Hoge Raad overwoog dat het hof ten onrechte de beperking hanteerde dat alleen uitschotten zijn wanneer degene aan wie de dienst wordt bewezen ook bevoegd is de belasting zelf te voldoen.
De Hoge Raad stelde vast dat de doorberekende toeristenbelasting als uitschot moet worden aangemerkt en derhalve niet tot de omzetbelastinggrondslag behoort. De naheffingsaanslag werd verminderd van ƒ 2.755,-- tot ƒ 1.142,--. Hiermee werd het cassatieberoep gegrond verklaard en het arrest van het hof vernietigd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en vermindert de naheffingsaanslag omdat de doorberekende toeristenbelasting als uitschot moet worden beschouwd.