Uitspraak
28 februari 1986.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal vanaf welk moment het notarieel invaliditeitspensioen ingaat wanneer de aanvraag later wordt ingediend vanwege overmacht. Verweerder, die sinds 1959 geen deelnemer meer was maar reeds invalide, kon door zijn psychische toestand van februari 1963 tot oktober 1966 geen aanvraag indienen.
De Rechtbank had geoordeeld dat het pensioen vanaf februari 1963 moest ingaan, ondanks dat de aanvraag pas in oktober 1966 werd gedaan. Het Notarieel Pensioenfonds stelde hiertegen beroep in cassatie in. De Hoge Raad bevestigde dat bij een overmachtstoestand de ingangsdatum van het pensioen niet pas bij ontvangst van de aanvraag ligt, maar terug kan gaan tot het begin van de overmacht.
De Hoge Raad baseerde zich op een redelijke uitleg van het pensioenreglement en de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over vergelijkbare bepalingen in de Pensioenwet 1922. Het beroep van het pensioenfonds werd verworpen en het fonds werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het invaliditeitspensioen gaat in op het moment waarop de overmachtstoestand begon, niet pas bij ontvangst van de aanvraag.