Uitspraak
[woonplaats].
van een verboden gedraging, als in de inleidende dagvaarding omschreven.
Zoals de havenmeester [betrokkene 1] blijkens het proces-verbaal van zijn verhoor heeft verklaard , heeft toen de havenmeester de dienstdoende operation-officer van de afhandeling, [betrokkene 3] , opdracht gaf dat het toestel van 23.00 uur zou vertrekken, van dezen het antwoord gekregen dat dit niet mogelijk was, omdat het personeel dat moest laden nog thuis was en dat de afspraak was dat het vliegtuig pas om 01.00 uur zou kunnen starten, omdat het niet vóór 06.00 uur de volgende morgen te Lagos kon worden gelost, hetgeen voor de havenmeester -kennelijk ook voor het personeel van de afhandeling- toen de havenmeester daarop niet reageerde en de ontheffing niet introk, de betrokken operation-officer van de afhandeling, belast met de belading, tot de conclusie dwong dat het toestel derhalve binnen de verboden uren kon en mocht vertrekken.
suggestieheeft gedaan tot het plegen van valsheid in geschrifte.
overleggaan plegen met requirant, directeur van de Luchthaven, waarbij door requirant [verdachte] in die overlegsituatie slechts is gesteld -hoewel requirant [verdachte] met belading en lossing geen bemoeienissen had en zich daarmee ook nimmer bemoeide – dat de suggestie – nota bene van [betrokkene 3] – dan maar in het ontheffingsformulier zou kunnen worden vermeld.
ikop dat formulier naar voren gebracht dat de vracht met kuikens nog onderweg was naar het vliegveld Zuid-Limburg,
Ikheb dus een onjuiste reden opgegeven’’.
en dat hij geen ander formulier behoefde in te vullen, hetgeen wellicht in de rede zou hebben gelegen’’.
Ik heb alleen de suggestie gedaan. Ik heb geen toezicht gehouden en ik heb ook geen opdracht gegeven’’.
niet van een verboden gedragingkan worden gesproken, waaraan requirant [verdachte] leiding heeft gegeven. Dit laatste was ten ene male ook niet mogelijk, omdat requirant niets over de havenmeester en het al dan niet geven van een ontheffing te zeggen had en ook daarbij geen significante rol heeft gespeeld, noch kon spelen, doch slechts in een summiere dialoog met [betrokkene 2] , belast met de afhandeling (het laden en lossen van vliegtuigen) over de aan de havenmeester te vragen ontheffing heeft gesproken, doch verder daarmee noch direct noch indirect enige feitelijke bemoeienis heeft gehad.
omdat [betrokkene 4] en [betrokkene 1] , de havenmeester, niet aanwezig waren, om overleg te plegen.
wellichtde havenmeester een ontheffing zou kunnen geven.
(a) de verdachte, voor zover inhoudende:
(c) de getuige [betrokkene 1] , voor zover inhoudende: dat hij ontheffing heeft verleend voor de start van de Boeing 707 op 1 juli 1983 te omstreeks 01.00 uur op grond van de mededeling van de station-manager, dat de aanlevering van de kuikens zodanig was vertraagd dat vertrek binnen de toegelaten periode uitgesloten was.
7.3. Aan het vorenoverwogene kan niet afdoen hetgeen in de middelen tegenover een en ander is aangevoerd, met name niet: dat de verdachte zich feitelijk niet heeft bemoeid met de belading en het vertrek van de Boeing, dat hij zich verder niet heeft verdiept in hetgeen [betrokkene 2] met het formulier heeft gedaan en geen verdere contacten met [betrokkene 2] heeft gehad, dat hij zich niet heeft bemoeid met het gesprek tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] en dat hij evenmin toezicht heeft gehouden.
7.4. De middelen falen derhalve.
8.2. Kennelijk heeft de Rechtbank geoordeeld – gelijk zij ook heeft kunnen oordelen -, dat het voor een zorgvuldige afweging van de in de gestelde conflictsituatie tegenover elkaar staande belangen en plichten noodzakelijk was zich voldoende zekerheid te verschaffen omtrent meer concrete feitelijke gegevens met betrekking tot (1) de vraag of, en zo ja in hoeverre, de lossing van de kuikens te Lagos vertraging zou oplopen, en (2) de voor de vlucht benodigde reistijd, het tijdstip van aankomst te Lagos en het in verband daarmede nog verantwoord te achten tijdstip van vertrek uit Beek, dan tot uitdrukking komt in de enkele stelling dat bij een vertrek van het vliegtuig voor 23.00 uur een aanzienlijke sterfte onder de te vervoeren kuikens zou optreden.
8.3. Uitgaande van de feitelijke vaststelling dat de verdachte heeft nagelaten een en ander te onderzoeken, respectievelijk zich daaromtrent een juiste voorstelling te vormen, heeft de Rechtbank kunnen oordelen, dat de stellingen waarop het beroep op overmacht steunt niet aannemelijk zijn geworden. Of de Rechtbank terecht tot evenbedoelde feitelijke vaststelling is gekomen kan in cassatie niet worden onderzocht.
8.4. Voor zover het vijfde middel tenslotte nog de verwerping van het hiervoren onder 5 sub (c) vermelde verweer bestrijdt, treft het reeds hierom geen doel, omdat de omstandigheid dat de havenmeester op 30 juni 1983 om 21.00 uur, toen hij geconstateerd had dat de te vervoeren kuikens aanwezig waren, zelfstandig een beslissing had kunnen dan wel moeten nemen, niet afdoet aan de eigen verantwoordelijkheid van de N.V. Luchthaven Zuid-Limburg voor het bewezenverklaarde gebruik dat zij van het luchtvaartterrein heeft gemaakt, althans heeft doen of laten maken, en evenmin aan de feitelijke leiding welke de verdachte aan de bewezenverklaarde verboden gedraging heeft gegeven.
10 februari 1987.