Uitspraak
20 november 1987.
Hoge Raad
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om een minderjarige onder toezicht te stellen wegens bedreiging met zedelijke of lichamelijke ondergang. De kinderrechter stelde het kind onder toezicht voor de duur van een jaar en benoemde een gezinsvoogd. De ouders gingen in hoger beroep bij het Gerechtshof, dat de beschikking van de kinderrechter vernietigde en het verzoek afwees.
De Raad voor de Kinderbescherming stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het oordeel van het Hof. De Hoge Raad oordeelde dat de voorwaarde voor ondertoezichtstelling, dat het kind zodanig opgroeit dat het met zedelijke of lichamelijke ondergang wordt bedreigd, niet was vervuld. Het oordeel van het Hof was niet onjuist en ook de motivering was voldoende.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en bevestigde daarmee dat het Hof terecht geen nadere motivering hoefde te geven over de positie van het kind en de vrijwillige aard van de hulpverlening. Hiermee werd het verzoek tot ondertoezichtstelling definitief afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Raad voor de Kinderbescherming wordt verworpen en het verzoek tot ondertoezichtstelling afgewezen.