ECLI:NL:PHR:1987:AD0060
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling criteria ondertoezichtstelling minderjarige bij bedreiging zedelijke of lichamelijke ondergang
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam waarin het verzoek tot ondertoezichtstelling van een bijna achttienjarige minderjarige werd afgewezen. De kinderrechter had eerder een beschikking gegeven, maar het hof vernietigde deze en wees het verzoek af.
De Raad voor de Kinderbescherming stelde in cassatie dat het hof een te beperkte uitleg gaf aan artikel 254 lid 1 van Pro Boek 1 BW, dat bepaalt wanneer ondertoezichtstelling mogelijk is. Het hof oordeelde dat een bedreiging met zedelijke of lichamelijke ondergang concreet en niet mis te verstane aanwijzingen moet bevatten en dat een loutere mogelijkheid onvoldoende is.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en verwees naar vergelijkbare maatstaven in de Krankzinnigenwet en strafrechtelijke artikelen over gevaar. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het hof de positie van de minderjarige en haar relatie tot haar ouders voldoende had meegewogen. De klacht dat het hof niet duidelijk had gemaakt hoe vrijwillige hulp zou functioneren werd verworpen, omdat het hof aannemelijk achtte dat de minderjarige zelfstandig kon wonen en vrijwillige hulp kon verkrijgen.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat ondertoezichtstelling slechts kan worden toegepast bij een reëel en ernstig gevaar, niet bij een loutere mogelijkheid. De uitspraak benadrukt het beschermende karakter van de maatregel en de noodzaak van zorgvuldige toetsing van de feitelijke situatie van de minderjarige.
Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling werd afgewezen wegens ontbreken van concrete aanwijzingen van bedreiging.