ECLI:NL:PHR:1987:AD0060

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 1987
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
7182
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 lid 1 Boek 1 BWArt. 157 Sr
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling criteria ondertoezichtstelling minderjarige bij bedreiging zedelijke of lichamelijke ondergang

De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam waarin het verzoek tot ondertoezichtstelling van een bijna achttienjarige minderjarige werd afgewezen. De kinderrechter had eerder een beschikking gegeven, maar het hof vernietigde deze en wees het verzoek af.

De Raad voor de Kinderbescherming stelde in cassatie dat het hof een te beperkte uitleg gaf aan artikel 254 lid 1 van Pro Boek 1 BW, dat bepaalt wanneer ondertoezichtstelling mogelijk is. Het hof oordeelde dat een bedreiging met zedelijke of lichamelijke ondergang concreet en niet mis te verstane aanwijzingen moet bevatten en dat een loutere mogelijkheid onvoldoende is.

De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en verwees naar vergelijkbare maatstaven in de Krankzinnigenwet en strafrechtelijke artikelen over gevaar. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het hof de positie van de minderjarige en haar relatie tot haar ouders voldoende had meegewogen. De klacht dat het hof niet duidelijk had gemaakt hoe vrijwillige hulp zou functioneren werd verworpen, omdat het hof aannemelijk achtte dat de minderjarige zelfstandig kon wonen en vrijwillige hulp kon verkrijgen.

De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat ondertoezichtstelling slechts kan worden toegepast bij een reëel en ernstig gevaar, niet bij een loutere mogelijkheid. De uitspraak benadrukt het beschermende karakter van de maatregel en de noodzaak van zorgvuldige toetsing van de feitelijke situatie van de minderjarige.

Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling werd afgewezen wegens ontbreken van concrete aanwijzingen van bedreiging.

Conclusie

AP
Rekest nr. 7182
Parket, 8 oktober 1987
Mr. Meijers
Conclusie inzake:
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING AMSTERDAM(de raad)
tegen
[de ouders](de ouders)
Edelhoogachtbaar College,
1. Met vernietiging van de beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 19 maart 1986 heeft het gerechtshof te Amsterdam bij beschikking van 24 november 1986 het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige [de dochter] afgewezen.
2. De raad heeft bij verzoekschrift van 5 januari 1987 beroep in cassatie ingesteld en één middel van cassatie aangevoerd. De ouders hebben een verweerschrift ingediend.
3. Het middel bevat een rechtsklacht en een motiveringsklacht.
De rechtsklacht
4. Het middel klaagt erover dat het hof in zijn beschikking een "te beperkte" uitleg van art. 254 lid 1 BW Pro heeft gegeven. De raad, aldus het verzoekschrift ter toelichting van het middel,
"is van oordeel, dat reeds de mogelijkheid van dreiging voor toepassing van art. 254 lid Pro 1 B.W. voldoende is".
5. Het hof overwoog, voorzover hier van belang,
"De maatregel van ondertoezichtstelling is alleen gegeven om in te grijpen in de ouderlijke macht van de ouders over hun kind indien dat kind zodanig opgroeit dat het met zedelijke of lichamelijke ondergang wordt bedreigd. In dit geval is noch uit de stukken noch bij de behandeling ter terechtzitting aannemelijk geworden dat de dreiging bedoeld in artikel 254 eerste Pro lid van boek 1 B.W. zich hier ten opzichte van [de dochter] voordoet.
Wel is aannemelijk geworden dat tussen [de dochter] enerzijds en haar ouders anderzijds een ernstige communicatiestoornis is ontstaan, die er toe heeft geleid dat [de dochter] zich aan de -directe- invloed van haar ouders heeft willen onttrekken en daartoe het huis heeft verlaten. Evenwel leidt de omstandigheid dat een bijna achttienjarig meisje dat de zesde klas van het VWO volgt, het gezinsleven met haar ouders als ondraaglijk ervaart en het huis verlaat, nog niet, althans niet zonder meer, tot het ontstaan van de hiervoor bedoelde dreiging."
6. Het ingrijpend karakter van de ondertoezichtstelling brengt mee, een bedreiging als bedoeld in art. 254 eerste Pro lid boek 1 BW, eerst aan te nemen, wanneer in de actuele situatie van de minderjarige concrete, niet mis te verstane, aanwijzingen voor die bedreiging aan de dag treden. De enkele mogelijkheid van bedreiging biedt onvoldoende basis voor de toepassing van ondertoezichtstelling.
7. Er is verwantschap met de maatstaf die de rechter moet hanteren bij de toepassing van de Krankzinnigenwet. Ook daar zullen de voorhanden zijnde gegevens moeten wijzen op een reëel en ernstig gevaar (voor zichzelf en anderen). Vgl. concl. mr. Ten Kate voor HR NJ 1985, 681 onder 14, en voor HR 1968, 609, onder 12. Prof. Leijten spreekt in zijn preadvies voor de Vereniging voor gezondheidsrecht 1986 van "een ernstige mogelijkheid" (p. 4).
8. In het antwoord. (in NLR) op de vraag welke graad van waarschijnlijkheid nodig is om van gevaar in de zin van art. 157 Sr Pro. te spreken vallen de termen: aanmerkelijke kans, reële mogelijkheid, ernstige mogelijkheid (aant. 2 op art. 157).
9. Het hof heeft in zijn beschikking niet blijk gegeven van een verkeerde opvatting omtrent enige in art. 254 eerste Pro lid boek 1 BW voorkomende term.
10. Voorzover het middel het hof een onjuiste rechtsopvatting verwijt is het ongegrond.
De motiveringsklacht
11. In de onduidelijk geredigeerde toelichting op het middel verschijnt de klacht dat het hof niet heeft doen blijken hoe en in hoever het de positie van de minderjarige en haar relatie tot haar ouders heeft gewaardeerd en in aanmerking genomen.
12. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Uit hetgeen het hof in de rubrieken 2 (De feiten) en 3 (Beoordeling van het hoger beroep) heeft overwogen, blijkt dat het hof zowel de positie van [de dochter] als haar relatie tot haar ouders in zijn overwegingen heeft betrokken.
13. De klacht dat het hof in het midden laat hoe de door het hof gesuggereerde hulp op vrijwillige basis moet functioneren, snijdt geen hout. Het hof heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat [de dochter] niet zelfstandig kan wonen en daarbij de door haar nodig geoordeelde hulp niet ook op vrijwillige basis zal kunnen verkrijgen. Dit oordeel van het hof is, gelet op hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de leeftijd van [de dochter] en haar recht op een studiefinancieringsbijdrage of een bijstandsuitkering, niet onbegrijpelijk. Tot nadere motivering van dat oordeel was het hof niet gehouden.
14. Ook voorzover het middel tegen de door het hof gegeven motivering opkomt, is het ongegrond.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,