Uitspraak
Burgemeester en Wethouders van de gemeente [Q] te [Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 7 november 1986 betreffende na te melden aan de
[Z]
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de heffingsgrondslag van onroerende goederen, bestaande uit speelvelden en bijbehorende gebouwen, voor de onroerend-goedbelasting in de gemeente [Q]. De gemeente had de speelvelden en gebouwen getaxeerd op zowel de waarde in het economische verkeer als de gecorrigeerde vervangingswaarde, waarbij de belanghebbende de waardering op de waarde in het economische verkeer voorstond.
Het Hof had geoordeeld dat de heffingsgrondslag voor de kantine, kleedgelegenheden en berging moest worden gesteld op de waarde in het economische verkeer, omdat deze nog in redelijke verhouding stond tot de gecorrigeerde vervangingswaarde (ruim 75%). De gemeente stelde echter dat de heffingsgrondslag op de gecorrigeerde vervangingswaarde moest worden gebaseerd, en voerde aan dat de marge voor een redelijke verhouding niet groter dan 10% mocht zijn.
De Hoge Raad stelde vast dat de wetsgeschiedenis onduidelijkheid liet over de marge waarbinnen sprake is van een redelijke verhouding. De Hoge Raad bepaalde dat een afwijking tot 50% tussen de koopsom en de gecorrigeerde vervangingswaarde nog als een redelijke verhouding kan worden beschouwd. Daarom oordeelde de Hoge Raad dat het Hof terecht had geoordeeld dat de waarde in het economische verkeer als heffingsgrondslag kon dienen.
De Hoge Raad verwierp het beroep van de gemeente en bevestigde daarmee de uitspraak van het Hof. De uitspraak bevat tevens een nadere uitleg van de term “redelijke verhouding” in het kader van artikel 273 van Pro de Gemeentewet en de waardering van incourante onroerende goederen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de heffingsgrondslag wordt bevestigd op de waarde in het economische verkeer binnen een redelijke afwijking tot 50% van de gecorrigeerde vervangingswaarde.