Uitspraak
20 april 1990.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de verzekeraar OTOS zich kon beroepen op een vervaltermijnclausule in de polisvoorwaarden na het afwijzen van een schadevergoeding wegens waterschade aan een woning die sinds anderhalf jaar onbewoond was.
De verzekerde had de woning niet tijdig gemeld als risicoverzwarend, wat volgens de polis een meldingsplicht was. OTOS had de schadevergoeding geweigerd en verwees naar de vervaltermijnclausule die stelt dat na een definitief standpunt van de verzekeraar binnen een jaar geen rechten meer kunnen worden ontleend aan de vordering.
De rechtbank verwierp het beroep op de vervaltermijnclausule omdat OTOS zonder overleg met de verzekerde een standpunt innam en niet reageerde op aanvullende argumenten van de tussenpersoon, waardoor het standpunt niet als definitief kon worden beschouwd.
Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat OTOS zich niet te goeder trouw kon beroepen op de vervaltermijnclausule omdat dit een valkuil voor de verzekerde zou zijn en niet ter bescherming van een redelijk belang van de verzekeraar.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van OTOS en bevestigde dat de clausule niet van toepassing was in de gegeven omstandigheden, waarbij de redelijkheid en billijkheid een beperkende werking hebben op de toepasselijkheid van dergelijke clausules.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van OTOS en bevestigde dat de vervaltermijnclausule niet van toepassing was.