Conclusie
SPIE)
1.ABT MEP v.o.f. (hierna: ABT)
Anel)
BN)
TAV)
ABT c.s.)
1.Inleiding
2.Feiten
arrestrespectievelijk het
hof). [1]
SNBV) als opdrachtgever en BN-TAV Joint Venture v.o.f. (hierna:
BN-TAV) als hoofdaannemer een overeenkomst gesloten (hierna: het
hoofdcontract) voor de bouw en inrichting van de nieuwe A-pier op de luchthaven Schiphol (hierna ook: het
hoofdproject). BN-TAV is een joint venture van BN en TAV. De bouw werd namens SNBV beheerd door het consortium Arcadis-Mace.
sub-subcontract. De initiële aanneemsom van het sub-subcontract bedroeg € 6.900.000,00.
Employer, Arcadis-Mace als
Engineer, BN-TAV als
Contractor, ABT als
Sub-Contractoren SPIE als
Sub-subcontractor.
clause 11.4 (Determinations)to agree or determine adjustments to the Sub-subcontract Price. These adjustments shall include reasonable profit and shall take account of the Sub-subcontractor’s submissions under
clause 20.2 (Value Engineering)if applicable.
clauses 11.4 (Determinations), 16.5 (Extension of Sub-subcontract Time for Completion), 27.1 (Sub-subcontractor’s Claims)and
clause 27.2 (Time Impact Analysis).
21.Pricing and Payment
clause 16.1 (Commencement of Sub-subcontract Works)and any amount which may be withheld by the Sub-Contractor in accordance with these Conditions of Sub-subcontract, the Sub-Contractor shall pay the Sub-subcontractor for the Sub-subcontract Works in accordance with Schedule 11 (Payment Terms).
27.Claims, Disputes, Arbitration and Jurisdiction
clause 27.1shall apply.
clause 27.1, monitor the record-keeping and/or instruct the Sub-subcontractor to keep further contemporary records. The Sub-subcontractor shall permit the Sub- Contractor to inspect these records, and shall (if instructed) promptly submit copies to the Contractor. (...) The Sub-subcontractor shall also permit any third party notified to the Sub-subcontractor by the Sub-Contractor to inspect the Sub-subcontractor’s records.
with clause 27.1.5(c)or any further particulars supporting a previous claim or following receipt of a Time Impact Analysis in accordance with
clause 27.2 (Time Impact Analysis), or within such other period as may be proposed by the Sub-Contractor and approved by the Sub-subcontractor, the Sub-Contractor shall respond with approval, or with disapproval and detailed comments. The Sub-Contractor may also request any necessary further particulars, but shall nevertheless give its response on the principles of the claim within such time. If the Sub-Contractor disapproves such claim and the Sub-subcontractor objects to the Sub-Contractor’s disapproval, the dispute shall be referred for resolution in accordance with
clause 27.3 (Dispute Resolution).
clause 11.4 (Determinations)to agree or determine:
clause 16.5 (Extension of Sub-subcontract Time for Completion); and/or
clause 27.1are in addition to those of any other provision of the Sub-subcontract which may apply to a claim. If the Sub-subcontractor fails to comply with this or another such provision in relation to any claim, any extension of the Sub-subcontract Time for Completion, reimbursement of additional Cost and/or adjustment to the Sub-subcontract Price shall take account of the extent (if any) to which the failure has prevented or prejudiced proper investigation of the claim, unless the claim is excluded under
clause 27.1.2.
Payment Terms) luidt, voor zover hier van belang, als volgt (zoals geciteerd door het hof):
3.Application for Interim Payments
, in a form approved by Sub-Contractor, aStatementon
the twentieth (20th)day of each month (starting after the end of month containing the Commencement Date), showing in detail the amounts to which the Sub-subcontractor considers himself to be entitled, together with supporting documents which shall include the relevant report on progress in accordance with Clause 12.27 (Progress Reports) (the
Statement)
Current Subcontract Priceat the end of the month for which the Statement is submitted;
Value of each Sub-subcontract Works properly executedup to the end of the month for which the Statement is submitted together with any amounts previously claimed, or being claimed, in respect of:
40 (fourty)Days
after receiving the Statement and supporting documents, issue an Interim Payment Certificateto the Sub-subcontractor which shall state the amount that Sub-Contractor fairly determines to be due. with supporting particulars.
Schedule 11 part 2(Invoice Instructions) for the amount stated in the Interim Payment Certificate.
6.Timing of Payments
shall pay to Sub-subcontractor, the amount which is approved and properly invoiced and due to the Sub-subcontractor in respect of each Interim Payment Certficate,
other than the Final Payment Certificate,within sixty (60th) days from the last day of the month in which the Sub-Contractor received the relevant Statement.
within sixty (60th) Daysafter receiving a written discharge and invoice from the Sub-subcontractor in accordance with paragraphs 11 (Discharge) and 12 (Final Payment). (...)
8.Retention
“Retention Money Limit”).
within 28 (twenty-eight) Daysfollowing the date of termination.
10.Application for Final Payment
Final Statement) showing in detail, in a form approved by the Sub-Contractor:
12.Final Payment
22.Termination by Sub-Contractor
clause 22.1 (Notice to Correct);
clause 22.2 (Termination by Sub-Contractor for Sub-subcontractor Default)has taken effect, the Sub-Contractor shall proceed in accordance with
clause 11.4 (Determinations)to agree or determine the value of the Sub-subcontract Works, Goods and Sub-subcontractor’s Documents, and any other sums due to the Sub-subcontractor for Sub-subcontract Works executed in accordance with the Sub-subcontract.
clause 22.2 (Termination by Sub-contractor for Sub-subcontractor Default)has taken effect, the Contractor may:
clause 10.3 (Sub-Contractor’s Claims);
under clause 22.4 (Valuation at Date of Termination for Sub-subcontractor Default).
clause 22.2 (Termination by Sub-Contractor for Sub-subcontractor Default)has taken effect, the Sub-Contractor shall not be liable to pay to the Sub-subcontractor any further amount (including damages for breach) in respect of the Sub-subcontract until the completion and Taking Over or abandonment of the Sub-subcontract Works by the Sub-Contractor.
clause 22.6 (Termination for Sub-Contractor’s Convenience), has taken effect, the Sub-subcontractor shall promptly:
clause 22.6 (Termination for Sub- Contractor’s Convenience)for the assignment of any Sub-subcontract and for the protection of life or property or for the safety of the Sub-subcontract Works.
22.6 (Termination for Sub-Contractor’s Convenience)has taken effect, the Sub-Contractor shall return all Performance Securities to the Sub-subcontractor and pay to the Sub-subcontractor:
clause 22.8unless and until the Sub-subcontractor has completed its obligations under
clause 22.7 (Consequences of Termination for Sub-Contractor’s convenience).
interim payment applicationnaar ABT gestuurd. Op basis daarvan heeft ABT in de periode tussen juni 2019 en september 2021 in totaal ruim € 3,7 miljoen betaald aan SPIE.
Revisions, en heeft de bouw van de A-pier vertraging opgelopen. Die aanpassingen hebben (ook) voor SPIE geleid tot meerwerk (door partijen ook wel aangeduid als
Variation Ordersof
Variations). Partijen hebben in 2021 discussie gevoerd over de vaststelling (
Determination) door ABT, en het onbetaald blijven van een groot deel van die
Variation Orders.
notices of claimzoals bedoeld in art. 27.1.1 sub-subcontract ingediend bij ABT. Hierin heeft SPIE aanspraak gemaakt op een vergoeding voor kosten vanwege bouwtijdoverschrijding (hierna ook: de
EOT-Claim) en een vergoeding voor kosten vanwege vertragingen en verstoringen van een aaneengesloten uitvoering van de werkzaamheden (hierna ook: de
Disruption-Claim).
Default. Op 15 december 2021 heeft BN-TAV vervolgens de onderaannemingsovereenkomst met ABT beëindigd op dezelfde grond. ABT heeft op haar beurt bij brief van 20 december 2021 laten weten het sub-subcontract met SPIE te beëindigen op grond van art. 22.2 sub-subcontract. Eerder, op 30 november 2021, had ABT SPIE al de toegang tot de bouwplaats van het project ontzegd.
Contract”). The Contractor served a termination notice pursuant to clause 22.2 of the Subcontract between BN-TAV and ABT MEP v.o.f. A copy of the aforementioned notices are attached for your reference.
interim payment applicationformat, zijnde het tussen SPIE en ABT gedurende het project gehanteerde model voor de aanvraag en onderbouwing van betalingen onder het sub-subcontract.
interim payment applications(hierna ook:
IPA’s) aan ABT gestuurd. In totaal heeft zij daarmee € 5.969.501,82 in rekening gebracht, bestaande uit de volgende (verzamel)posten:
EOT-Claimen
Disruption-Claim(“Other Net off calculation”);
final interim payment applicationsaan ABT nader geactualiseerde IPA’s gestuurd. Daarin heeft SPIE ten gunste van ABT enkele correcties gemaakt die resulteren in een bedrag dat € 26.424,55 lager is dan het totaalbedrag van de facturen van 15 december 2021. Voor dit verschil van € 26.424,55 heeft SPIE op 23 mei 2022 creditfacturen aan ABT verstuurd.
final interim payment applicationsvan 28 januari 2022 ingediend bij BN-TAV.
Engineerheeft in het kader van de beëindiging van het hoofdcontract, in 2022 en 2023 tussentijdse beoordelingen (
Interim Determinations) van het werk gemaakt. ABT heeft deze tussentijdse beoordelingen met SPIE gedeeld. SPIE heeft daarop afwijzend gereageerd en ABT heeft die reacties aan BN-TAV overgebracht.
Engineerheeft op 19 april 2023 de vertragingsclaim van BN-TAV afgewezen. De
EOT-Claimen de
Disruption-Claimvan SPIE maakten hiervan onderdeel uit.
Engineereen
Purported Final Determination(hierna: de
Final Determination) vastgesteld voor het hele werk aan de A-pier en deze aan BN-TAV verstrekt. BN-TAV betwist de juistheid hiervan.
Final Determination. De
Engineerheeft op 13 februari 2024 een aangepaste
Final Determinationvastgesteld. Bij brief van 30 april 2024 heeft ABT die aan SPIE doorgeleid en SPIE bovendien op de hoogte gesteld van de door de
Engineergestelde (geldelijke) waardering van het werk van “de sub-subcontractors”. SPIE zou voor een bedrag van € 1.078.498,76 zijn overbetaald.
dissatisfaction) geuit over de
Final Determinationen de (geldelijke) waardering van haar werk. ABT heeft zich op het standpunt gesteld zich evenmin te kunnen verenigen met de
Final Determination, maar herhaald dat zij zich mag beroepen op, en dat SPIE contractueel gebonden is aan, de
Determinationsvan de
Engineer.
Diales-rapport). Diales heeft hiervoor een bedrag van € 63.060,00 exclusief btw bij SPIE in rekening gebracht.
3.Procesverloop (op hoofdlijnen)
In eerste aanleg
rechtbank) bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
CvA).
vonnis) heeft de rechtbank, samengevat, ABT c.s. hoofdelijk veroordeeld: tot betaling aan SPIE van een bedrag van € 212.735,39, vermeerderd met de wettelijke rente; tot vrijgave van de bankgaranties aan SPIE binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom; tot vergoeding aan SPIE van door haar na 28 januari 2022 gemaakte kosten in verband met het aanhouden van de bankgaranties, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; en tot vergoeding van de beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit alles uitvoerbaar bij voorraad. In het incident wees de rechtbank het gevorderde af. De proceskosten werden in zowel hoofdzaak als incident gecompenseerd.
MvG).
MvA).
Determinationen van SPIE tot het dulden daarvan buitengerechtelijk zijn ontbonden, althans (ii) die postcontractuele verbintenissen per direct te ontbinden;
Retention Money), te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente;
Determinationuit hoofde van artikel 11.4.1;
dispute resolutionconform artikel 27 sub Pro-subcontract nog volledig door SPIE kan worden gevolgd middels een civiele procedure bij de rechtbank Amsterdam;
Geen beëindigingfor default” (rov. 5.13-5.17)
determination-procedure van art. 11.4 en de betalingssystematiek van bijlage 11 niet van toepassing zijn bij een beëindiging
for convenience, is SPIE niet gebonden aan de (aangepaste) eindbeoordeling van de
Engineeren hoeft zij de uitkomst van het geschil/de procedure tussen SNBV en BN-TAV niet af te wachten.
Uitgevoerd werk en materialen” - de posten ‘uitgevoerd werk’ en ‘materialen’. Dienaangaande oordeelt het hof, kort gezegd: dat op zichzelf niet in geschil is dat deze posten kunnen worden geschaard onder art. 22.8.1, aanhef en onder (b) en (c); en dat in het eindarrest zal worden beoordeeld of de door SPIE gevorderde bedragen toewijsbaar zijn.
De bankgaranties” - op grief 2 in incidenteel hoger beroep. Daarmee hebben ABT c.s. zich gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat SPIE recht heeft op teruggave van de bankgaranties en vergoeding van kosten voor het aanhouden van de bankgaranties na 28 januari 2022. Het hof verwerpt deze grief.
De retentiebedragen” - grief 3 in incidenteel hoger beroep. Daarmee hebben ABT c.s. zich gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat SPIE recht heeft op betaling van de ingehouden retentiebedragen. Het hof concludeert: “Gezien het oordeel over de eerste drie grieven in principaal hoger beroep, faalt ook deze grief (in beginsel, zie 5.46 en 5.69 hieronder)”. Daarbij verwerpt het hof, gelijk de rechtbank, het beroep van ABT c.s. op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
Meerwerk (Variations)” - dat op deze post art. 20.3.5 van toepassing is, wat meebrengt dat ten aanzien van deze post de
determination-procedure moet worden afgewacht. Daarbij stelt het hof vast: dat voor het afronden van deze procedure geen harde termijnen gelden; dat partijen de mogelijkheid hebben om een geschil over deze post voor te leggen aan de rechter (art. 11.4.2 in samenhang met art. 27.3.1), wat BN-TAV ook heeft gedaan; en dat SPIE de uitkomst hiervan zal moeten afwachten. Dit betekent dat de vordering tot betaling van meerwerk nog niet opeisbaar is en moet worden afgewezen, aldus het hof (dat aankondigt ook dit oordeel van de rechtbank te zullen bekrachtigen).
De EOT- en Disruption-Claims” - met het oordeel dat het ook het vonnis zal bekrachtigen voor zover de rechtbank daarbij de
EOT-Claimen de
Disruption-Claimvan SPIE als niet-opeisbaar heeft afgewezen, en dat grief 5 in principaal hoger beroep niet kan slagen. Want net als bij het meerwerk, geldt volgens het hof ook hier dat de
determination-procedure, waarvan deze
Claimsonderdeel uitmaken, afgerond moet zijn alvorens SPIE aanspraak kan maken op betaling.
Demobilisatiekosten” - bij grief 6 in principaal hoger beroep. Met deze grief heeft SPIE betoogd dat de rechtbank de gevorderde demobilisatiekosten had moeten toewijzen, nu deze voor vergoeding in aanmerking komen op grond van art. 22.8.1, aanhef en onder (d), (e) en/of (f). In tegenstelling tot de rechtbank is het hof van oordeel dat deze kosten kunnen worden geschaard onder art. 22.8.1, aanhef en onder (e). “De grief slaagt dus (in beginsel); deze post komt voor vergoeding in aanmerking, tenzij de nadere akte van ABT c.s. of het beroep van ABT c.s. op verrekening tot een ander oordeel zouden nopen (zie 5.69 hieronder)”.
Andere achtergehouden aftrekposten” - dat SPIE op grond van art. 22.8.1, aanhef en onder (b) kosten heeft gevorderd die zien op kwetsbare onderdelen die aanvankelijk niet zijn geïnstalleerd vanwege de kans op schade. Dienaangaande oordeelt het hof dat ABT c.s. deze post onvoldoende (gemotiveerd) hebben betwist.
determination-procedure van art. 11.4 en bijlage 11 op de hoofdvordering niet van toepassing zijn, de vraag is hoe de omvang van de (op dit moment in beginsel) vergoedbare posten, en hiermee samenhangend de omvang van de betalingsverplichting van ABT c.s., moeten worden vastgesteld. Omdat hierover verder niets is geregeld in het sub-subcontract, geldt het wettelijke uitgangspunt dat partijen deze kwestie aan de rechter kunnen voorleggen als zij hier met elkaar niet uit komen. “Het hof kan, en zal, zich hier dus over uitlaten”. Dienaangaande is ’s hofs slotsom in het arrest dat het iedere beoordeling en beslissing aanhoudt.
De beslagkosten, de wettelijke handelsrente en de proceskosten” - dat het ook zal aanhouden tot het eindarrest “de beoordeling van grief 4 in incidenteel hoger beroep (over het beroep van ABT c.s. op verrekening), grief 5 in incidenteel hoger beroep (over de toegewezen beslagkosten), grief 7 in principaal hoger beroep (over de voor het overige afgewezen beslagkosten), grief 8 in principaal hoger beroep (over het afwijzen van de gevorderde wettelijke handelsrente), en grief 6 in incidenteel hoger beroep (over de proceskosten), en de met deze beoordeling verband houdende beslissingen op de vorderingen van partijen”. [6]
4.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Klachten”, genummerd 2.1-2.6). Het onderdeel is gericht tegen rov. 5.50-5.51 en 5.56 van het arrest inzake het meerwerk, de
EOT-Claimen de
Disruption-Claim. Het onderdeel bestrijdt deze “beslissing van het hof” als “rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk”.
determinationpas vast te stellen (ten aanzien van het meerwerk, de
EOT-Claimen de
Disruption-Claim) op het moment dat de procedure tussen BN-TAV en SNBV is afgerond. Art. 11.4, 20.3.5 en 27.1.8, aanhef en onder (b) zouden dan immers meebrengen dat SPIE geen toegang heeft tot de overheidsrechter binnen een redelijke termijn, met welke tijdige toegang een zwaarwegend algemeen belang wordt gediend.
EOT-Claimen de
Disruption-Claimnaar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij merkt de klacht nog op dat, nu het hof heeft vastgesteld dat de beëindiging van het sub-subcontract niet is gebaseerd op een tekortkoming van SPIE (zie rov. 3.13, 3.15 en 5.15-5.17), de uitkomst van de procedure tussen BN-TAV en SNBV “dus ook gelet op dit betoog van ABT” niet meer relevant is.
determinationdoor ABT in ieder geval binnen een in de omstandigheden van het geval redelijke termijn moet worden vastgesteld, omdat anders de tijdige toegang tot de rechter disproportioneel wordt beperkt. [10] Volgens de klacht kan als redelijke termijn worden gedacht aan de in art. 11.4.1 opgenomen termijn van 36 dagen voor overleg tussen SPIE en ABT, alvorens ABT een
determinationmoet vaststellen indien overeenstemming uitblijft. Het hof had vervolgens “mede aan de hand van de door SPIE aangevoerde en hiervoor besproken omstandigheden” [11] moeten onderzoeken of het sub-subcontract aldus moet worden aangevuld dat ABT in dit geval binnen een redelijke termijn een
determinationmoet maken. [12] Gelet op de onder c hiervoor (“in de vorige alinea”) genoemde stellingen van SPIE [13] valt ook niet zonder meer in te zien dat het in de omstandigheden van dit geval redelijk is dat ABT daarmee wacht totdat de uitkomst van de procedure tussen BN-TAV en SNBV vaststaat.
determinationafhankelijk wordt gemaakt van de uitkomst van een (langjarige) procedure tussen BN-TAV en SNBV. [14] In art. 11.4 is ook niet bepaald dat de uitkomst van eventuele gerechtelijke procedure(s) hogerop in de keten moet(en) of mag (mogen) worden afgewacht. Integendeel: in dit artikel worden dergelijke procedures in het geheel niet genoemd. Daarbij wijst de klacht nog op art. 27.3.2.
klacht a.
dispute resolution(zie artikel 27 van Pro het Contract) nog volledig door SPIE kan worden gevolgd middels een civiele procedure bij de Rechtbank Amsterdam. Een dergelijke verklaring voor recht komt SPIE naar haar oordeel toe, omdat het niet zo kan zijn dat SPIE na het doorlopen van twee feitelijke instanties géén oordeel heeft gekregen over de inhoud van haar aanspraken, en evenmin dat SPIE een beoordeling van de uitkomst van de Determination in eerste aanleg zou worden ontzegd.
EOT-Claimen de
Disruption-Claimniet door de beugel van art. 6 EVRM Pro zou kunnen, in het bijzonder wat betreft SPIE’s toegang tot de rechter binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in de klacht. [24] Kortom, SPIE heeft dienaangaande onvoldoende gesteld. Daarbij betrek ik dat het op SPIE’s weg lag dienaangaande voldoende te stellen, te meer nu het door art. 6 EVRM Pro beschermde recht tot toegang tot de rechter niet onbeperkt is [25] en ABT c.s. de mogelijkheid moeten hebben zinvol te reageren op een (impliciet) beroep op deze bepaling. Daarbij betrek ik verder dat uit het procesdossier niet blijkt dat ABT c.s. in de stellingen van SPIE een dergelijk (impliciet) beroep op art. 6 EVRM Pro hebben gelezen. De klacht wijst ook niet op zulke stellingen, laat staan met vindplaats.
klacht b.
klacht c.
EOT-Claimen de
Disruption-Claim- niet of het beroep van ABT c.s. op art. 11.4.3 en/of 11.4.4 sub-subcontract, in de zin dat zij de uitkomst van het geschil/de procedure tussen BN-TAV en SNBV mag afwachten, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook dit is, anders dan de klacht kennelijk wil onder verwijzing naar diverse vindplaatsen, onjuist noch onbegrijpelijk. [29] Ik licht weer toe.
Engineerop de voet van art. 11.4 “in de gegeven situatie, dat de betreffende specificaties (IPA's) van SPIE niet eens ter beoordeling aan de Engineer blijken te zijn voorgelegd, zoals ABT tot op heden wel steeds heeft beweerd”. Dat het hof dit plaatst in het kader van grief 4, [32] zoals het kennelijk doet, wordt in cassatie niet bestreden (althans niet conform de eisen van art. 407 lid Pro 2, aanhef en onder d Rv) en is overigens, gezien het voorgaande, niet onbegrijpelijk. Ook bij deze derde vindplaats is dus geen sprake van een stelling van SPIE waarin het hof had moeten lezen dat volgens haar, wat betreft het meerwerk, de
EOT-Claimen de
Disruption-Claim, het beroep van ABT c.s. op art. 11.4.3 en/of 11.4.4 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Engineerruimschoots hebben verwerkt. [36]
klacht d.
EOT-Claimen de
Disruption-Claim- niet of art. 11.4 sub-subcontract op de voet van art. 6:248 lid 1 BW Pro, gelet op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, zo moet worden aangevuld dat art. 11.4 aldus moet worden begrepen dat een
determinationdoor ABT in ieder geval binnen een in de omstandigheden van het geval redelijke termijn moet worden vastgesteld (omdat anders de tijdige toegang tot de rechter disproportioneel wordt beperkt). [38] Ook dit is, anders dan de klacht kennelijk wil onder verwijzing naar diverse ‘vindplaatsen’, onjuist noch onbegrijpelijk. [39] Ik licht weer toe.
EOT-Claimen/of de
Disruption-Claim, art. 11.4 op de voet van art. 6:248 lid 1 BW Pro, gelet op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, zo moet worden aangevuld dat art. 11.4 aldus moet worden begrepen dat een
determinationdoor ABT in ieder geval binnen een in de omstandigheden van het geval redelijke termijn moet worden vastgesteld. Ik lees daar bijvoorbeeld nergens dat volgens SPIE inzake het meerwerk, de
EOT-Claimen/of de
Disruption-Claimsprake zou zijn van een op de voet van art. 6:248 lid 1 BW Pro, gelet op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, aan te vullen leemte in het sub-subcontract. Het hof gaat inzake het meerwerk, de
EOT-Claimen de
Disruption-Claimook niet uit van zo’n leemte.
determinationdoor ABT in ieder geval binnen een in de omstandigheden van het geval redelijke termijn moet worden vastgesteld, omdat anders de tijdige toegang tot de rechter disproportioneel wordt beperkt.
klacht e.
determinationafhankelijk wordt gemaakt van de uitkomst van een procedure tussen BN-TAV en SNBV. Wat daarvan zij: ook hier ontbreekt iedere verwijzing naar enige stelling dienaangaande, laat staan met vindplaatsverwijzing, waarop het hof hier acht had moeten slaan.
determinationshogerop in de keten moeten of mogen worden afgewacht. [56]
determinationis hogerop in de keten gemaakt, en ABT heeft ook aan SPIE aangegeven dat SPIE daaraan gebonden is.
determinationmaken. SPIE heeft bovendien (in haar subsidiaire vordering) betoogd dat ABT daarmee in verzuim is en de verplichting van art. 11.4.1 moet nakomen. [57] “Daarmee” valt niet in te zien waarom ABT op grond van het sub-subcontract nog geen
determinationhoeft te maken en daarmee zou mogen wachten totdat de uitkomst van de procedure tussen BN-TAV en SNBV bekend is. Het sub-subcontract geeft “immers” geen enkel aanknopingspunt voor die uitleg, zeker waar, “naar hiervoor is en in de onderdelen 2.4, 3.2 en 6.1 wordt uiteengezet”, de
determinationshogerop in de keten niet zonder meer bepalend zijn voor de betalingsverplichting van ABT jegens SPIE.
determinationshogerop in de keten. Daaruit volgt niet, en in ieder geval niet zonder meer, dat ABT de uitkomst van een geschil naar aanleiding van die
determinationshogerop in de keten mag afwachten en in dit geval dus de uitkomst van de procedure tussen BN-TAV en SNBV.
for convenience). Het sub-subcontract is per 18 januari 2022 geëindigd op die grond. In artikel 22.7 sub-subcontract is bepaald wat de consequenties zijn van een beëindiging
for convenience. In artikel 22.8 is onder meer bepaald op welke vergoedingen SPIE recht heeft in geval van een beëindiging
for convenience.
determination-procedure van artikel 11.4 en de bepalingen van bijlage 11 van toepassing zijn”. Het antwoord op die vraag is dus een geschilpunt tussen partijen. Het hof vervolgt aldaar aldus: “Als dit laatste het geval zou zijn”, dus indien op de vorderingen van SPIE de
determination-procedure van art. 11.4 en de bepalingen van bijlage 11 van toepassing zouden zijn, dan “heeft SPIE pas recht op betaling nadat definitief is vastgesteld waarop zij recht heeft én nadat ABT daarvoor van BN-TAV betaald heeft gekregen”. Deze ‘als-dan’ aan het slot van rov. 5.23 is, zo begrijp ik het hof, tussen partijen als zodanig niet in geschil (het tegendeel blijkt bijvoorbeeld ook niet uit ’s hofs weergave van het partijdebat ter zake in rov. 5.19-5.22). Daarmee is dan nog niet gezegd wannéér ten aanzien van een bepaalde post sprake is van zo’n definitieve vaststelling van datgene waarop SPIE recht heeft.
determination-procedure van artikel 11.4 en de betalingssystematiek van bijlage 11 niet van toepassing zijn bij een beëindiging
for convenience, is SPIE niet gebonden aan de (aangepaste) eindbeoordeling van de Engineer en hoeft zij de uitkomst van het geschil tussen SNBV en BN-TAV niet af te wachten.
determination-procedure van art. 11.4 en de betalingssystematiek van bijlage 11 niet van toepassing, zodat SPIE niet gebonden is aan de (aangepaste) eindbeoordeling van de
Engineeren zij de uitkomst van het geschil/de procedure tussen SNBV en BN-TAV niet hoeft af te wachten.
determination-procedure moet worden afgewacht, inclusief de uitkomst van het geschil/de procedure tussen SNBV en BN-TAV. Doet zich dat voor, dan geldt ten aanzien van de desbetreffende post dat voorafgaand aan die uitkomst nog geen sprake kan zijn van een definitieve vaststelling van datgene waarop SPIE recht heeft (zie de laatste zin van rov. 5.23, waarover onder 4.14 hiervoor).
EOT-Claimen
Disruption-Claim.
Meerwerk (Variations)”).
back-to-backen
pay-when-paidprincipes waarop ABT c.s. zich beroepen, [59] wel met zoveel woorden tot uitdrukking. SPIE zal zich hieraan moeten houden; het bepaalde in artikel 22.8.1 brengt geen verandering in de toepasselijkheid van deze regeling, die specifiek is toegesneden op de vaststelling en betaling van meerwerk. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat het onbetaald gebleven meerwerk al in 2020 en 2021 aan ABT is geoffreerd, en partijen het regime van artikel 20.3 en de
determination-procedure toen ook al hebben gevolgd, althans zijn begonnen te volgen, zodat het ook daarom meer voor de hand ligt aan te (blijven) sluiten bij het specifieke beoordelingskader dat hiervoor geldt.
Engineerter zake ruimschoots zouden hebben verwerkt, omdat genoegzaam vast zou staan dat ABT, althans BN-TAV, de specificaties nimmer ter beoordeling aan de
Engineerzou hebben voorgelegd en SNBV zou hebben verklaard deze nooit te hebben ontvangen. Want:
determination-procedure moet worden afgewacht. Voor het afronden van deze procedure gelden geen harde termijnen, zoals ABT c.s. terecht stellen. Noch in artikel 11.4. noch in bijlage 11 is hieraan een termijn gesteld, waaruit het hof afleidt dat partijen dit ook niet hebben bedoeld overeen te komen. Partijen hebben bovendien de mogelijkheid om een geschil over deze post voor te leggen aan de rechter (artikel 11.4.2 in samenhang met artikel 27.3.1 sub-subcontract), wat BN-TAV ook heeft gedaan. [61] SPIE zal de uitkomst hiervan moeten afwachten.
determination-procedure moet worden afgewacht, inclusief de uitkomst van het geschil/de procedure tussen SNBV en BN-TAV waarvan die post onderdeel is. Ten aanzien van die post geldt dan, logischerwijs, dat voorafgaand aan die uitkomst nog geen sprake kan zijn van een definitieve vaststelling van datgene waarop SPIE recht heeft. Dit een en ander relateert het hof tegen de achtergrond van rov. 5.34 niet alleen aan (uitleg van) specifieke bepalingen in het sub-subcontract (bezien in onderling verband en samenhang), [62] maar ook aan de feitelijk plaatsgevonden gang van zaken [63] en, uiteraard, het partijdebat.
EOT-Claimen
Disruption-Claim(“
De EOT- en Disruption-Claims”).
EOT-Claimen de
Disruption-Claimvan SPIE als niet-opeisbaar heeft afgewezen. Daartoe volgt het hof een vergelijkbare lijn als bij de post meerwerk.
rely upon’) de instemming of beoordeling door BN-TAV of de Engineer wanneer de Claim is ‘
connected to a related matter under the Sub-Contract’. En dat is [het] geval, want ook tussen ABT en BN-TAV (de partijen bij het Sub-Contract) en overigens ook hogerop in de keten tussen BN-TAV en SNBV, zijn EOT- en Disruption Claims, waarin de Claims van SPIE bovendien zijn geïntegreerd, beoordeeld door de Engineer. Geen van partijen kan zich in die
Final Determinationvinden. Zij hebben allen
notices of dissatisfactionuitgebracht en de totale Claims (dus ook die van SPIE) zijn nu onderwerp van de procedure tussen SNBV en BN-TAV. [64] ABT heeft vanaf het begin af aan nadrukkelijk besloten, en ook aan SPIE bericht, zich te willen baseren op de uiteindelijke beoordeling van de Claims hogerop in de keten. Gelet op het bepaalde in artikel 11.4.4 stond haar dat vrij. Gevolg hiervan is dat (alle) partijen voor betaling van hun Claims afhankelijk zijn van de uitkomst van het geschil tussen SNBV en BN-TAV.
Net als bij het meerwerk, geldt dus ook hier dat de
determination-procedure, waarvan deze Claims onderdeel uitmaken, afgerond moet zijn alvorens SPIE aanspraak kan maken op betaling.
EOT-Claimen de
Disruption-Claimde afronding van de
determination-procedure moet worden afgewacht, inclusief de uitkomst van het geschil/de procedure tussen SNBV en BN-TAV waarvan die posten onderdeel zijn. Ten aanzien van die posten geldt dan, logischerwijs, dat voorafgaand aan die uitkomst nog geen sprake kan zijn van een definitieve vaststelling van datgene waarop SPIE recht heeft. Dit een en ander relateert het hof tegen de achtergrond van rov. 5.34 niet alleen aan (uitleg van) specifieke bepalingen in het sub-subcontract (bezien in onderling verband en samenhang), [65] maar ook aan de feitelijk plaatsgevonden gang van zaken [66] en, uiteraard, het partijdebat.
klacht a.
determinationshogerop in de keten moeten of mogen worden afgewacht.
de uitkomst vangeschillen naar aanleiding van zulke
determinations. Anders loopt de klacht reeds daarom vast op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft daar immers het oog op die “uitkomst”, in het bestreden oordeel specifiek op de uitkomst van het geschil/de procedure tussen SNBV en BN-TAV (rov. 5.50, laatste zin; rov. 5.56, tweede alinea, laatste zin), niet op (het ontstaan van) zulke geschillen als zodanig.
determinationshogerop in de keten moeten of mogen worden afgewacht. Het bestreden oordeel is breder ingebed. Zie, samenvattend, mede onder 4.18.5 en 4.19.5 hiervoor. In het licht van die bredere inbedding is het niet onbegrijpelijk, kort gezegd, dat naar ’s hofs oordeel inzake het meerwerk, de
EOT-Claimen de
Disruption-Claimde afronding van de
determination-procedure moet worden afgewacht, inclusief de uitkomst van het geschil/de procedure tussen SNBV en BN-TAV waarvan die posten onderdeel zijn.
determination-procedure wordt voorgelegd aan de rechter als onderdeel van een geschil/procedure tussen partijen hogerop in die keten. [70] Dan zijn, kort gezegd, die posten onderdeel van dit geschil/die procedure hogerop in de keten.
EOT-Claimen
Disruption-Claimdus onderdeel zijn - moet afwachten voordat zij aanspraak kan maken op betaling uit hoofde van een of meer van deze posten. Ook dit laatste is in mijn optiek goed te volgen. [73]
klacht b.
klacht c.
determination[kan] maken”, wat weer aanhaakt op het ‘art. 11.4.1 sub-subcontract’-betoog in klacht b.
EOT-Claimen de
Disruption-Claimniet van kleur zijn verschoten (en dus op hun oorspronkelijke grondslag moeten worden beoordeeld) en betoogt waarom ook dan de vorderingen opeisbaar zijn, en wel op grond van art. 27.1. [78] SPIE betrekt daarin dus niet ook het meerwerk. Het hof betrekt en verwerpt dit betoog van SPIE in rov. 5.55-5.56, tegen de achtergrond van rov. 5.52-5.54. Dat dit onbegrijpelijk zou zijn, valt zonder meer niet in te zien; dat meerdere reikt de klacht niet aan.
determinationhoeft te maken” zoals bedoeld in art. 11.4.1, en dat wat het hof wel zegt in het bestreden oordeel is niet onbegrijpelijk. Dit behoeft geen verdere toelichting.
determinationshogerop in de keten niet zonder meer bepalend zijn voor de betalingsverplichting van ABT jegens SPIE”, wil, wat daarvan verder zij, trouwens niet zeggen dat ‘dus’ het bestreden oordeel onbegrijpelijk is.
klacht d.
final determinationheeft vastgesteld en daarmee mag wachten totdat de procedure tussen SNBV en BN-TAV is afgerond. SPIE heeft echter aangevoerd, en dit heeft het hof miskend, dat ABT haar bij brief van 30 april 2024 ervan op de hoogte heeft gesteld dat al een
final determinationis vastgesteld. [80] ABT heeft in reactie daarop betoogd dat het gaat om de
final determinationvan de
Engineer,dat ABT zich daarop mag beroepen en dat SPIE daaraan is gebonden (hoewel ABT zelf die
determinationbetwist). [81] Niet, althans niet zonder meer, valt daarom in te zien waarom in de verhouding tussen SPIE en ABT niet al een
final determinationis vastgesteld, nu ABT zich op het standpunt stelt dat SPIE is gebonden aan de
final determinationvan de
Engineeren daarmee tussen SPIE en ABT kan worden geprocedeerd over deze
final determination, waarmee SPIE, naar het hof in rov. 3.28 heeft vastgesteld, niet instemt.
final determinationheeft vastgesteld en dat ABT daarmee mag wachten totdat de procedure tussen SNBV en BN-TAV is afgerond”. Zoiets blijkt nergens uit, ook niet uit rov. 5.50, 5.51 of 5.56 van het arrest.
EOT-Claimen
Disruption-Claiminmiddels onderwerp zijn van het geschil/de procedure tussen SNBV en BN-TAV, dus hogerop in de keten. En dat SPIE de uitkomst hiervan moet afwachten, als onderdeel van de
determination-procedure. Zie nader onder 4.12-4.19.5 hiervoor.
Disruption Claims”, althans in ieder geval niet ten aanzien van “de EoT- en
Disruption Claimsvan SPIE” (ten aanzien waarvan het hof niet heeft aangenomen dat het
pay-when-paidbeginsel geldt), omdat de reden voor beëindiging in de verhouding tussen BN-TAV en SNBV een andere is (
defaulten dus tekortkoming) dan die in de verhouding tussen ABT en SPIE (
convenience). [83] Het kan dus zijn dat BN-TAV in verband met “de meerwerk, EoT- en
Disruption Claims” geen betaling ontvangt vanwege de tekortkoming in de verhouding tussen BN-TAV en SNBV en (dus) ook ABT daarvoor geen betaling ontvangt, dan wel dat ABT in de verhouding met BN-TAV is tekortgeschoten en op die grond geen (volledige) betaling ontvangt voor “die claims” (ook als BN-TAV daarvoor wel betaling zou hebben ontvangen van SNBV), maar dit betekent niet (zonder meer) dat ABT ook SPIE niet hoeft te betalen, nu SPIE niet is tekortgeschoten. [84] De uitkomst van de procedure tussen BN-TAV en SNBV is daarom niet, althans niet zonder meer, bepalend voor de betalingsverplichtingen van ABT jegens SPIE. [85] Dat geldt te meer voor “de
Disruption Claims”, omdat die geen onderdeel uitmaken van het geschil tussen BN-TAV en SNBV nu “die claims” niet zijn ingebracht in die procedure (“Zie hierna onderdeel 6.1”). [86] Voor “de
Disruption Claims” hangt de vraag of ABT SPIE moet betalen dus in ieder geval niet af van de uitkomst van de procedure tussen BN-TAV en SNBV.
Disruption Claims” (dat die geen onderdeel zouden uitmaken van het geschil/de procedure tussen BN-TAV en SNBV, want niet zouden zijn ingebracht in die procedure), verwijst het subonderdeel naar subonderdeel 6.1. Die stelling bespreek ik nader bij dat subonderdeel, zie onder 4.79-4.85 hierna. Ik volsta hier met de vaststelling: dat het hof in rov. 5.56, eerste alinea, waartegen het subonderdeel zich niet keert, onder meer erop wijst dat “de totale Claims (dus ook die van SPIE) nu onderwerp [zijn] van de procedure tussen SNBV en BN-TAV”. En: dat het hof blijkens die eerste alinea onder die “totale Claims” ook verstaat de daar door het hof genoemde “EOT- en Disruption Claims, waarin de Claims van SPIE (…) zijn geïntegreerd”.
Disruption Claims”, omdat de vergoeding daarvan afhangt van de beoordeling van “die claim” in de procedure tussen BN-TAV en SNBV en SPIE aan de uitkomst daarvan is gebonden. [89] Art. 11.4.2 bepaalt immers dat indien geen overeenstemming bestaat over de
determinationdoor ABT, die zich in dat verband mag beroepen op een
determinationhoger in de keten voor zover die relevant is op grond van art. 11.4.4, [90] elkepartij (dus SPIE of ABT) het geschil mag voorleggen aan de rechter. Dat blijkt ook expliciet uit art. 11.4.4, waarin wordt verwezen naar art. 11.4.2. Ook indien “de meerwerk vordering dan wel de EoT- of
Disruption Claims” onderdeel zijn van een geschil hogerop in de keten, laat dat dus onverlet dat SPIE ter zake nog steeds de mogelijkheid heeft om bij een geschil over de
determinationvan ABT tegen ABT te procederen.
Disruption Claims”. Zoiets staat ook niet in het bestreden oordeel. Iets anders is dat het hof - mede gelet op rov. 5.51-5.52 - in de gegeven omstandigheden tot het oordeel komt, in navolging van de rechtbank en met inachtneming van het partijdebat, dat SPIE’s onderhavige “vordering tot betaling van meerwerk” en “EOT- en Disruption-Claims” als niet-opeisbaar worden afgewezen. Zie mede onder 4.12-4.19.5 hiervoor. Dat dit niet onbegrijpelijk is, volgt uit de bespreking van subonderdelen 2.1-2.4. Zie onder 4.10-4.33 hiervoor. Hierop stuit het subonderdeel al af.
Klachten”, genummerd 3.1 en 3.2). Het onderdeel is gericht tegen rov. 5.47-5.48 van het arrest inzake het meerwerk.
back-to-backen
pay-when-paidprincipes de
determination-procedure in het kader van het meerwerk moet worden afgewacht. Daartoe voert het subonderdeel, samengevat, het volgende aan.
termination for convenience. Het hof heeft in dat verband in rov. 5.28 beslist dat als ABT die principes in art. 22.8.1 verdisconteerd had willen zien, het dan op haar weg had gelegen dit met zoveel woorden in het artikel op te nemen. Dat is niet gebeurd en dat moet volgens het hof voor ABT’s rekening en risico blijven. Daarom is de rechtbank volgens het hof ook ten onrechte uitgegaan van de toepasselijkheid van die principes bij beëindiging
for convenience.
back-to-backen
pay-when-paidprincipes ten aanzien van het meerwerk ook van toepassing zouden zijn indien artikel 22.8.1 van de tussen SPIE en ABT gesloten overeenkomst van toepassing is, hetgeen het hof in rov. 5.48 tot uitgangspunt neemt, en in artikel 22.8.1 expliciet anders is bepaald nu dat uitgaat van opeisbaarheid na beëindiging, zoals het hof in rov. 5.27 ook vaststelt, en daarin niet is verwezen naar de
back-to-backen
pay-when-paidprincipes, zoals het hof in rov. 5.28 onderkent en volgens hem voor rekening en risico van ABT komt. Het ligt, naar het hof in rov. 5.27 heeft overwogen, ook eerder voor de hand dat direct met SPIE wordt afgerekend bij beëindiging
for convenience, waarmee SPIE van de ene op de andere dag wordt geconfronteerd en waarop zij geen invloed heeft kunnen uitoefenen en die niet aan haar te wijten is, dan bij beëindiging
for default. [92]
termination for convenienceheeft plaatsgevonden. Op dat moment was de specifieke regeling voor
termination for convenienceimmers nog niet van toepassing. [93] Nu in artikel 22.8.1 niet meer naar die procedure van artikel 20.3 wordt verwezen, ligt het voor de hand aan te nemen dat die procedure niet meer hoeft te worden gevolgd of voortgezet na beëindiging
for convenience. Die procedure wordt bij een
termination for conveniencevervangen door de procedure van artikel 22.8.1.
back-to-backen
pay-when-paidprincipes, waarop ABT c.s. zich beroepen, wel met zoveel woorden tot uitdrukking; SPIE zal zich hieraan moeten houden; en art. 22.8.1 brengt geen verandering in de toepasselijkheid van “deze regeling”, dus art. 20.3.3-20.3.5, die specifiek is toegesneden op de vaststelling en betaling van meerwerk. De in die passage gesuggereerde strijdigheid tussen het bestreden oordeel en rov. 5.27-5.28 doet zich dus ook niet voor. Daarmee ontvalt de bodem aan die passage.
termination for conveniencenog niet van toepassing was.
back-to-backen
pay-when-paidprincipes de
determination-procedure in het kader van het meerwerk moet worden afgewacht. Zie onder 4.41 hiervoor.
back-to-backen
pay-when-paidprincipes de
determination-procedure moet worden afgewacht. Daartoe voert het subonderdeel, samengevat, het volgende aan.
pay-when-paidprincipe zit een tijdsaspect dat inhoudt dat het betalingsrisico alleen gedurende een bepaalde periode wordt afgewenteld op de onderaannemer; de uiterste betaaltermijn is inmiddels verlopen. [100]
pay-when-paidprincipe) geldt niet meer als de opdrachtgever de vorderingen van de hoofdaannemer afwijst, omdat sprake is van een tekortkoming van de hoofdaannemer (terwijl SPIE niet is tekortgeschoten). [101]
for convenience, deze niet meebrengt dat
in dit gevalbetaling van hogerhand kan worden afgewacht.
back-to-backen
pay-when-paidprincipes “zonder meer meebrengen dat ABT SPIE voor het meerwerk niet hoeft te betalen zolang zij van BN-TAV nog geen betaling heeft ontvangen”. Al was het maar omdat het hof in rov. 5.48 expliciet mede in aanmerking neemt dat het onbetaald gebleven meerwerk al in 2020 en 2021 aan ABT is geoffreerd, en partijen het regime van art. 20.3 en de
determination-procedure toen ook al hebben gevolgd, althans zijn begonnen te volgen, zodat het ook daarom meer voor de hand ligt aan te (blijven) sluiten bij het specifieke beoordelingskader dat hiervoor geldt.
Klacht”, genummerd 4.1). Het onderdeel is gericht tegen rov. 5.54 van het arrest inzake de
EOT-Claimen de
Disruption-Claim.
termination for convenience, in welk geval de EoT- en
Disruption Claimsvolgens SPIE ‘van kleur verschieten’, [113] en onder de regeling van artikel 22.8.1 vallen, in verband waarmee artikel 22.8.1(d) meebrengt dat de kosten uit hoofde van de vertraging en verstoring van het project moeten worden betaald (de EoT en
Disruption Claims) zonder dat de procedure van artikel 11.4 (…) behoeft te worden gevolgd. [114] Het hof heeft in rov. 5.26 in dat verband ook vastgesteld dat artikel 22.8.1 niet naar artikel 11.4 verwijst en evenmin verwijst naar bijlage 11 (waar in artikel 10.3 ook naar artikel 11.4 (…) wordt verwezen). [115] Het hof heeft verder in rov. 5.27 beslist dat partijen de bewoordingen in de overeenkomst tussen SPIE en ABT redelijkerwijs zo hebben mogen begrijpen dat de
determination-procedure van artikel 11.4 en de betalingssystematiek van bijlage 11 uitsluitend van toepassing is als dat in de overeenkomst (…) uitdrukkelijk is bepaald. Dat is volgens het hof bij beëindiging f
or convenienceniet het geval en dat is, kennelijk, volgens het hof een bewuste keuze geweest en die keuze valt, aldus het hof, ook goed te begrijpen tegen de achtergrond van het karakter van de artikelen 22.6-22.8. Het ligt, naar het hof in rov. 5.27 heeft overwogen, eerder voor de hand dat direct met SPIE wordt afgerekend bij beëindiging
for convenience, waarmee SPIE van de ene op de andere dag wordt geconfronteerd en waarop zij geen invloed heeft kunnen uitoefenen en die niet aan haar te wijten is, dan bij beëindiging
for default. [116]
termination for convenience“immers” nog niet van toepassing. [117]
Disruption Claims”, [118] heeft het hof onvoldoende inzicht geboden in zijn gedachtegang waarom dat artikel ook geldt indien art. 22.8.1, aanhef en onder (d) van toepassing is en in art. 22.8.1, aanhef en onder (d) expliciet anders is bepaald, nu dat uitgaat van opeisbaarheid na beëindiging, zoals het hof in rov. 5.27 ook vaststelt, en in dat artikel ook niet is verwezen naar art. 11.4 (of bijlage 11), zoals het hof in rov. 5.26 onderkent. Het ligt daarom niet voor de hand aan te sluiten bij het kader van art. 11.4 dat geldt tijdens de looptijd van het sub-subcontract (en na beëindiging wegens
default), [119] maar niet bij beëindiging
for convenience.
EOT-Claimen de
Disruption-Claim(die voorafgaand aan de beëindiging van het sub-subcontract was ingediend) door de tussentijdse beëindiging van het sub-subcontract ‘van kleur is verschoten’ en nu op basis van art. 22.8.1 moet worden beoordeeld. Dit verweer mist volgens het hof doel, omdat het hof:
termination for conveniencenog niet van toepassing was. De enkele verwijzing in voornoemde passage naar “Daarom”, wat terugslaat op het onder 4.58.1 hiervoor geciteerde, voldoet niet aan de eisen van bepaaldheid en precisie die aan een motiveringsklacht mogen worden gesteld. Ik zie overigens ook niet waarom dat geciteerde ’s hofs oordeel in rov. 5.54, laatste zin onbegrijpelijk zou maken.
Klacht”, genummerd 5.1). Het onderdeel is gericht tegen rov. 5.35 van het arrest inzake de verdere beoordeling van de vorderingen van SPIE op de primair door haar aangevoerde grondslag, alsmede grief 4 van SPIE en haar hiermee verband houdende subsidiaire vorderingen.
Disruption Claims” in rov. 5.50, 5.51 en 5.56 heeft beslist dat art. 11.4 sub-subcontract daarop van toepassing is en de
determination-procedure hogerop in de keten dus moet zijn afgerond voordat SPIE aanspraak kan maken op betaling. Derhalve zijn de met grief 4 van SPIE verband houdende subsidiaire en meer-subsidiaire vorderingen, die zagen op het verzuim van ABT ten aanzien van haar
determinationen een nakomingsvordering ten aanzien van die
determination, [120] voor “de meerwerk, EoT- en
Disruption Claims” juist wel relevant en valt dus niet, althans niet zonder meer, in te zien waarom die geen bespreking meer behoeven.
determination-procedure van artikel 11.4 en de betalingssystematiek van bijlage 11 niet van toepassing zijn bij een beëindiging
for convenience, is SPIE niet gebonden aan de (aangepaste) eindbeoordeling van de Engineer en hoeft zij de uitkomst van het geschil tussen SNBV en BN-TAV niet af te wachten.
grieven 1 en 2 in principaal hoger beroepricht SPIE zich tegen de - volgens haar grotendeels onjuiste - uitleg door de rechtbank van artikel 22.8 van het sub-subcontract.
(…)
5.22. De grieven van SPIE slagen. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
(…)
5.28. (…) Ook de
derde grief in principaal hoger beroep, waarbij SPIE in de kern heeft betoogd dat de rechtbank bij haar uitleg van 22.8.1 ten onrechte (feitelijk) is uitgegaan van de
back-to-backen
pay-when-paidprincipes, is dus terecht voorgesteld en behoeft gelet op het voorgaande geen (verdere) bespreking.
determination-procedure van art. 11.4 en de betalingssystematiek van bijlage 11 niet van toepassing zijn (dan is SPIE niet gebonden aan de (aangepaste) eindbeoordeling van de
Engineeren hoeft zij de uitkomst van het geschil/de procedure tussen SNBV en BN-TAV niet af te wachten).
grief 4 in principaal hoger beroepen de hiermee verband houdende subsidiaire vorderingen van SPIE geen bespreking.
determination-procedure van art. 11.4 (met de betalingssystematiek van bijlage 11) ook van toepassing is.
final payment applicationvan toepassing is, conform artikel 11.4 sub-subcontract en bijlage 11. Deze procedure, die eindigt met de definitieve vaststelling van de betalingsverplichtingen van SNBV, is begonnen, maar nog niet afgerond. Deze vorderingen van SPIE zijn daarom nog niet opeisbaar. [123]
niethanteert, anders dan de rechtbank. Zie onder 4.67-4.72 hiervoor.
for convenience, dan (dus geheel subsidiair) vordert SPIE de nakoming door ABT van die verplichting tot Determination van de vorderingen van SPIE onder betaling van een voorschot op de financiële verplichtingen van ABT aan SPIE. ABT is (geheel subsidiair) verplicht tot die nakoming, omdat zij in verzuim verkeert. SPIE zal deze subsidiaire grondslag en de bijbehorende subsidiaire vorderingen hierna toelichten.
for convenienceexpliciet is geregeld.
Daarnaast bevatten die grieven ook een eiswijziging, in die zin dat SPIE aan haar vordering tot betaling van EUR 5.730.341,88 subsidiair - slechts indien en voor zover in hoger beroep mocht worden geoordeeld dat de zogenaamde Determination procedure ex artikel 11.4 (hierna: de “Determination” of “kostenbeoordeling”) zou gelden bij toepassing van artikel 22.8 van het Contract en daarom de voornoemde primaire grondslag van artikel 22.8 van het Contract mocht worden afgewezen - een tweede, andere contractuele basis ten grondslag legt, te weten de nakoming door ABT van de (vermeende) verplichting om de waarde van het werk van SPIE vast te stellen met toepassing van deze Determination. [125]
EOT-Claimen de
Disruption-Claim, uitgaande van art. 27.1 (waarbij SPIE ook ingaat op art. 14.1). M.i. bestrijkt het hof dit echter niet met rov. 5.35 (het gaat hier immers niet om met grief 4 van SPIE samenhangende subsidiaire vorderingen van haar). Wel met rov. 5.55-5.56 (waar het hof ingaat op de oorspronkelijke grondslag voor de
EOT-Claimen de
Disruption-Claim, waarbij het hof betrekt dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat (in ieder geval) art. 27.1 “op deze Claims van toepassing is”), onderdeel van rov. 5.52-5.56 waar het hof uiteenzet waarom grief 5 van SPIE niet kan slagen. Het hof gaat aldus niet mee met de door SPIE in die grief 5 naar voren gebrachte “veroordeling van ABT c.s. op die subsidiaire grond” (MvG, nr. 7.12). Ik citeer SPIE aldaar:
Klacht”, genummerd 6.1). Het onderdeel is gericht tegen rov. 3.19, 3.25 en 5.56 van het arrest, voor zover het hof daarin heeft overwogen, in de woorden van het onderdeel, dat “de
Disruption Claims” zijn geïntegreerd in “de claims hogerop in de keten” en mede daarom de
determination-procedure (hogerop in de keten) moet zijn afgerond alvorens de vorderingen van SPIE opeisbaar zijn.
Disruption Claims” niet heeft betoogd dat die zijn geïntegreerd in “de claims hogerop in de keten (en/of zijn afgewezen door de
Engineer)”. [127] Ten aanzien van “die claims” (ik begrijp: “de
Disruption Claims”) valt dan ook niet in te zien waarom de
determination-procedure hogerop in de keten moet worden afgewacht, nu die uitkomst (ik begrijp: van de
determination-procedure hogerop in de keten), ervan uitgaande dat “die claims” geen onderdeel zijn van de
determinationshogerop in de keten waarvoor de procedure tussen BN-TAV en SNBV relevant is, geen relevantie heeft voor de
determinationvan ABT ten aanzien van “deze
Disruption Claims”. Daarvoor geldt dus evenmin dat ABT zich op de voet van art. 11.4.4 sub-subcontract kan en mag beroepen op
determinationshogerop in de keten, nu die niet relevant zijn voor “de
Disruption Claims”.
final interim payment applicationsvan 28 januari 2022 ingediend bij BN-TAV.
Final Determinationvinden. Zij hebben allen
notices of dissatisfactionuitgebracht en de totale Claims (dus ook die van SPIE) zijn nu onderwerp van de procedure tussen SNBV en BN-TAV.
(…)
SPIE’s EOT Claims en Disruption Claims zijn onderdeel van haar
Final Payment Applicationsvan 28 januari 2022 (producties 84 t/m 87 SPIE eerste aanleg / productie 41 SPIE HB). Zoals hierboven toegelicht, is ABT in afwachting van [het]
Final Payment Certificatevoor de eindafrekening van het werk. Zolang het
Final Payment Certificatenog niet is verstrekt, heeft SPIE nog geen recht op betaling. [129]
Final Payment Applications(producties 78 t/m 80 SPIE eerste aanleg), waarna SPIE op 28 januari 2022 een nader geactualiseerde
Final Payment Applicationsindiende (producties 84 t/m 87 SPIE eerste aanleg).
Final Payment Applicationop 9 maart 2022 ingediend bij BN-TAV. Naar ABT c.s. begrijpen, heeft BN-TAV eind 2022 haar
Final Payment Application(waarin de
Final Payment Applicationsvan de verschillende (onder-)onderaannemers zijn opgenomen) bij SNBV/de Engineer ingediend. De Engineer is op dit moment doende met de determination van de waarde van het werk, zoals toegelicht in par. 3.2 hierna. [130]
Final Payment Certificatevan BN-TAV, wat weer vergt dat BN-TAV een
Final Payment Certificateontvangt van SNBV. En dat zolang dit niet is gebeurd, SPIE geen recht heeft op betaling. Zie bijvoorbeeld de volgende passages in de MvA:
Determination) moet volgen, en de kwestie betrekking heeft op een daaraan gerelateerde kwestie onder het Sub-Contract tussen BN-TAV en ABT, ABT het recht heeft de goedkeuring of beslissing van BN-TAV en/of de Engineer af te wachten. Zo ook ten aanzien van de finale betaling.
Determination) is dat ABT
geenFinal Payment Certificateaan SPIE kan verstrekken zolang BN-TAV nog
geenFinal Payment Certificateaan ABT heeft verstrekt en daaraan voorafgaand SNBV nog
geenFinal Payment Certificateaan BN-TAV heeft verstrekt. [zonder verwijzingen in het origineel, A-G] [131]
final determinationverstrekt met de vaststelling van de waarde van het werk en claims van BN-TAV en haar (onder-)onderaannemers. Zoals in de processtukken is toegelicht, is de Engineer de vertegenwoordiger van de opdrachtgever (Schiphol) onder het Hoofdcontract, en stelt de Engineer de vorderingen van BN-TAV en haar (onder-)onderaannemers vast.
final determination, ook in het belang van haar (onder- )onderaannemers. Dit is door BN-TAV (en ABT) in verschillende brieven toegelicht. Tussen BN-TAV en Schiphol loopt op dit moment een procedure bij de rechtbank Amsterdam. Die procedure gaat onder andere over de vraag of Schiphol het Hoofdcontract voortijdig mocht ontbinden en over de vergoeding van het uitgevoerde werk en claims van BN-TAV. BN-TAV heeft ook de claims van ABT en SPIE meegenomen in deze procedure. (…)
final determinationjuist is, dan werkt deze determination door in de (onder-)onderaannemingsovereenkomsten, waaronder het Sub- subcontract tussen ABT en SPIE. Totdat er een andersluidend oordeel is van de rechtbank, mag ABT zich op grond van het Sub-subcontract op de
final determinationberoepen.
interim determinations) verstrekt, met daarin haar voorlopige bevindingen ten aanzien van de waarde van het uitgevoerde werk. ABT heeft de voor SPIE relevante delen uit deze
interim determinationssteeds doorgestuurd aan SPIE. Dit gebeurde allemaal in lijn met de
back-to backstructuur van het Sub-subcontract.
final determinationverstrekt. Daarin bevestigt de Engineer dat haar eerdere
interim determinations, waaronder de
interim determinationsvan 7 december 2022 en 19 april 2023, worden geacht onderdeel uit te maken van haar
final determination.
final determinationvan 4 mei 2023 van de Engineer werkt een-op-een door in het Sub- subcontract tussen ABT en SPIE. (…)
EOT-Claimdoelt op de door SPIE gemaakte aanspraak op “een vergoeding voor kosten vanwege bouwtijdoverschrijding”, en met
Disruption-Claimop de door SPIE gemaakte aanspraak op “een vergoeding voor kosten vanwege vertragingen en verstoringen van een aaneengesloten uitvoering van de werkzaamheden”. Dit wordt in cassatie niet bestreden.
Disruption Claims” ABT c.s. zich alleen hebben beroepen op het
pay-when-paidprincipe. Dat blijkt ook niet uit nr. 69 van hun spreekaantekeningen in hoger beroep.
Disruption-Claimonderdeel is van de
determinationshogerop in de keten waarvoor het geschil/de procedure tussen BN-TAV en SNBV relevant is, zodat ten aanzien van de
Disruption-Claimde
determination-procedure hogerop in de keten moet worden afgewacht.
Disruption Claims”.
5.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
back-to-backen
pay-when-paidprincipes.
back-to-backen
pay-when-paid. Ik vat samen. Ad (i): dat de verschillende contracten
back-to-backzijn aangegaan, zoals in de bouw gebruikelijk, was een belangrijk uitgangspunt van de contractuele verhoudingen tussen de in het project betrokken partijen. Ad (ii): de betekenis van deze
back-to-backrechtsverhoudingen/structuur, waaronder
pay-when-paid. Ad (iii): dat over die principes (
back-to-back,
pay-when-paid) voorafgaand aan het sluiten van het sub-subcontract is gesproken, en dat SPIE “gedurende het gehele project ook na de beëindiging daarvan” heeft gehandeld op grond van de reguliere betalingsprocedure (“art. 21 van Pro het Sub-subcontract”).
niet, c.q. rechtens onjuist, uitgelegd tegen de achtergrond van de voor het project als hoofdcontract, subcontract en sub-subcontracten gesloten, in de internationale bouwwereld bij zulke omvangrijke projecten als deze aannemingsovereenkomsten gebaseerd op de ‘FIDIC Conditions of Contract for Plant and Design-Build Contract’ uit 1999
(FIDIC Yellow Book 1999), en die niet ongebruikelijk uitgaan van het hier bedoeld
‘back-to-back’principe en het
‘pay-when-paid’principe. [138]
back-to-back/
pay-when-paidprincipes en aldus moet worden uitgelegd, ook als die principes niet woordelijk terugkomen in een specifieke bepaling in het sub-subcontract, zoals art. 22.8.1. [139] Daarbij hebben ABT c.s. ook gesteld dat SPIE heeft erkend dat de eindafrekening moet plaatsvinden conform “de reguliere procedure” die gedurende het gehele project werd gehanteerd door partijen, dus op de voet van art. 11.4 en bijlage 11. [140]
back-to-backen
pay-when-paidprincipes, wat, kort gezegd, met zich brengt dat SPIE pas betaald kan krijgen wanneer ABT de corresponderende bedragen van BN-TAV heeft ontvangen”. [141]
Final Payment Certificateverstrekken zolang de bovengelegen partijen dat op hun beurt nog niet hebben gedaan. De vorderingen van SPIE zijn dus nog niet opeisbaar, aldus nog steeds ABT c.s.
determination-procedure van artikel 11.4 en de bepalingen van bijlage 11 van toepassing zijn. Als dit laatste het geval zou zijn, heeft SPIE pas recht op betaling nadat definitief is vastgesteld waarop zij recht heeft én nadat ABT daarvoor van BN-TAV betaald heeft gekregen. [143]
back-to-backen
pay-when-paid) principes en bepalingen moeten worden ingelezen die hierin niet woordelijk zijn opgenomen”. [144]
determination-procedure doorlopen moet worden voordat zij betaald zou kunnen krijgen”. “De door ABT c.s. in dit verband aangehaalde passages uit de memorie van grieven van SPIE zagen op de subsidiaire grondslag en vorderingen van SPIE”, aldus het hof. [145]
back-to-back’structuur, zoals de rechtbank met juistheid deed ‘
mede gelet op de algehele systematiek van het sub-subcontract’ (rov. 5.27-5.33 vonnis)”. Bij dit laatste beroept de klacht zich op een betoog van ABT c.s. in hoger beroep. [150] Dit “liet het hof (kennelijk) ten onrechte na”, door te oordelen zoals het doet in rov. 5.28.
‘moet worden uitgegaan [van] de taalkundige betekenis’”, maar betoogden zij dat de bedoeling van partijen duidelijk is in de gehele context van het contract en van de in de sector gehanteerde principes. [151]
gebruikelijkecommerciële contracten voor grote projecten in de bouwsector, waaraan die principes ten grondslag liggen.
klacht a.
back-to-backen
pay-when-paidprincipes (wat, kort gezegd, met zich brengt dat SPIE pas betaald kan krijgen wanneer ABT de corresponderende bedragen van BN-TAV heeft ontvangen);
for default, en de onderhavige overeenkomst
for convenience). En:
for conveniencezijn beëindigd. Partijen hebben (dus) ook niet gesproken over de financiële consequenties van een situatie als de onderhavige.
determination-procedure van artikel 11.4 en de betalingssystematiek van bijlage 11 uitsluitend van toepassing zijn als dat in het sub-subcontract uitdrukkelijk is bepaald. Dat laatste is bij een beëindiging
for convenienceniet het geval en dat is, kennelijk, een bewuste keuze geweest. Deze keuze is ook goed te begrijpen tegen de achtergrond van het karakter van de artikelen 22.6 tot en met 22.8.
back-to-backverhouding met de contracten op hoger gelegen niveaus, alsook de uitzonderlijke situatie van een eindafrekening op alle niveaus en gedragingen van partijen bij de uitvoering van het sub-subcontract.
back-to-backen
pay-when-paid) principes en bepalingen in te lezen in art. 22.8.1 die hierin niet woordelijk zijn opgenomen, en dat grief 3 van SPIE slaagt. Daaraan doet niet af dat ABT c.s. ter zake een andere uitkomst voorstonden en -staan.
klacht b.
‘moet worden uitgegaan [van] de taalkundige betekenis’”. Zoiets staat niet in rov. 5.28, te minder gelezen in het licht van rov. 5.21. Wat het hof aldus bezien doet, staat (dan) ook niet op gespannen voet met hetgeen ABT c.s. hebben aangevoerd, [155] waaronder de vindplaatsen die de klacht noemt. [156] Overigens staat op die vindplaatsen niet, anders dan de klacht suggereert, “dat de bedoeling van partijen duidelijk is in de gehele context van het contract en van de in de sector gehanteerde principes”.
klacht c.
(i)-(ad iii)”. Daartoe wijst het subonderdeel, samengevat, op het volgende.
back-to-backen
pay-when-paidprincipes die in verschillende bepalingen zijn opgenomen, en was, desgevraagd, niet onderhandelbaar dat door de
back-to-backstructuur alle betalingen aan SPIE, dus steeds en zoals bij andere onder-onderaannemers, de betalingsregeling van art. 21 en Pro bijlage 11 zouden volgen, voor maandelijkse voorstellen tot tussentijdse betalingen en betaling van goedgekeurde
Variations.
for default, en de onderhavige overeenkomst
for convenience”. Onbegrijpelijk is echter dat het hof in rov. 5.24 daaruit heeft geconcludeerd dat partijen “(dus) ook niet gesproken [hebben] over de financiële consequenties van een situatie als de onderhavige”.
back-to-backstructuur álle betalingen, dus stééds, de betalingsprocedure van art. 21 en Pro bijlage 11 zouden volgen c.q. die procedure ook gold bij een beëindiging van het sub-subcontract
for defaultof
for convenience.
de financiële consequenties vandie situatie. Het hof spitst het hier dus toe op (de financiële consequenties van) díe situatie: specifiek dáárover hebben partijen niet gesproken. Dááraan staat niet in de weg de door het subonderdeel veronderstelde stellingname van ABT c.s., nu daaruit niet volgt dat partijen wel aldus hebben onderhandeld over (de financiële consequenties van) díe situatie.
(…)
5.30. Ook het bepaalde in artikel 21.1.1 sub-subcontract waarop ABT c.s. zich ter zitting in hoger beroep nog hebben beroepen [dit slaat terug op de hiervoor geciteerd passage in rov. 5.21, A-G], baat ABT c.s. niet. Daargelaten dat in de artikelen 22.6 tot en met 22.8 niet naar dit artikel wordt verwezen, geldt dat artikel 21.1.1 blijkens de bewoordingen “
In consideration of the Sub-subcontractor carrying out the Sub-subcontract Works (...)” uitdrukkelijk ziet op de situatie dat de werkzaamheden nog in uitvoering zijn. Dat is hier niet het geval.
(i)-(ad iii)” onbegrijpelijk dat het hof, op grond van rov. 5.26 van het arrest, oordeelt zoals het doet in rov. 5.27. Anders gezegd: dit oordeel in rov. 5.27 is “onbegrijpelijk (onnavolgbaar)”/“onnavolgbaar en niet concludent” in het licht van, kort gezegd, de onder 5.15.1 en 5.15.3 hiervoor samengevatte stellingname van ABT c.s. Daarbij benadrukt de klacht ‘alle’ (“voor
allebetalingen geldende”) en ‘steeds’ (dat de procedure van art. 11.4 en betalingssystematiek van bijlage 11 “
steedsmoet worden gevolgd”). [161]
niet, zoals ABT c.s. aanvoeren, in de
back-to-backstructuur moet worden uitgelegd (mede) in samenhang met art. 21 (dat verwijst naar bijlage 11 en daarbij deze betalingsprocedure voorschrijft voor alle betalingen). Als motivering daarvoor is ontoereikend wat in rov. 5.30 staat, want dit oordeel is zelf onbegrijpelijk. Volgens ABT c.s. [162] moe(s)ten “alle betalingen” onder het sub-subcontract door de
back-to-backstructuur de regeling van art. 21 volgen Pro. Nu art. 21 voorafgaat Pro aan art. 22.6-22.8: is als redengeving “niet (reeds), als zodanig, concludent” dat in deze artikelen niet naar art. 21.1.1 wordt verwezen; en sluit “dit” (ik begrijp: dat art. 22.6-22.8 niet naar art. 21.1.1 verwijzen) niet uit (dat bedoeld is) dat betalingen bij eindafrekening na beëindiging
for defaulten
for conveniencevolgens art. 21 moeten Pro plaatsvinden.
klacht a.
klacht b.
for defaultals zodanig laat het hof zich niet uit over de uitleg van het sub-subcontract, noch in rov. 5.27 noch elders. Voor zover de klacht van het tegendeel uitgaat (“voor betalingen bij de beëindiging ‘for default’ en ‘for convenience’”), mist zij feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
for convenience, maar de klacht zich daartegen niet keert. Wel tegen rov. 5.30, waartoe ik mij nu wend.
klacht c.
tegenbewijsdoor het horen van getuigen. [165] Het hof liet dit ten onrechte na.
(i)-(ad iii)” (mede) omtrent de aard van de overeenkomsten, het
back-to-backkarakter van de contractuele verhoudingen, de gang van zaken vóór en bij onderhandelingen met SPIE over de te volgen procedure, terwijl de door hen gestelde feiten en omstandigheden, indien bewezen, hun uitleg van (de inhoud van) het sub-subcontract kunnen dragen.
klacht a.
klacht b.
for conveniencezijn beëindigd, is zijn “kennelijk oordeel” rechtens onjuist en/althans onbegrijpelijk. Daarmee zag het hof voorbij aan de bij subonderdeel 1.2(a) vermelde (tegen)bewijsaanbiedingen van ABT c.s., gedaan in eerste aanleg en herhaald/nader gespecificeerd in hoger beroep. Deze zijn niet te laat gedaan en kunnen, indien bewezen, leiden tot de andersluidende uitleg van art. 22.8 sub-subcontract, waardoor ze relevant zijn voor de beslissing. Ten onrechte heeft het hof in rov. 5.24 deze (tegen)bewijsaanbiedingen gepasseerd en/althans stelde het hof daaraan te zware/strenge eisen om tot het aangeboden tegenbewijs te worden toegelaten.
for conveniencezijn beëindigd, maar dat is door SPIE betwist en niet gebleken. Het hof zal het bewijsaanbod terzake passeren, niet alleen omdat dit te laat is gedaan (de betwisting door SPIE in punten 5.3 tot en met 5.5 van haar memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep dateert van 4 juli 2023), maar ook omdat uit het navolgende blijkt dat dit, indien bewezen, niet kan leiden tot een andere beslissing.
(…)
Bij deze stellen wij dat die beëindiging hetzelfde is gegaan als in de onderhavige procedure: primair for default, subsidiair for convenience. Zo nodig biedt ABT hiervan bewijs aan.[onderstreping toegevoegd, A-G]
for conveniencezijn beëindigd, [168] wat ook zo is, [169] maar overweegt dat het bewijsaanbod dienaangaande door ABT c.s. te laat is gedaan, want dus pas ter zitting in hoger beroep en naar aanleiding van een vraag van het hof. Dit laatste strookt met het citaat onder 5.29 daarvoor. De vindplaatsen waarop het subonderdeel doelt, [170] maken dit niet anders. Ook ik lees daarin, gelijk het hof, geen (toereikend) bewijsaanbod dienaangaande. Die uitleg door het hof is derhalve niet onbegrijpelijk. Daarbij betrek ik dat door ABT c.s. weliswaar in MvA, nr. 61 is verwezen naar de (door hen als producties 26-27 overgelegde) beëindigingsbrief van SNBV (jegens BN-TAV) respectievelijk van BN-TAV (jegens ABT), maar het hof blijkens het citaat onder 5.29 hiervoor in laatstgenoemde brief nu juist leest dat níet
for convenienceis beëindigd (alleen
for default), waarna zijdens ABT c.s. pas het onderhavige bewijsaanbod wordt gedaan (dat dus niet ziet op die beëindigingsbrief als zodanig, want die hadden ABT c.s. al overgelegd, maar op bewijs los van die brief, kennelijk in het bijzonder op getuigenbewijs).
determination-procedure doorlopen moet worden voordat zij betaald zou kunnen krijgen. Blijkens vindplaatsen die het subonderdeel noemt, [171] hebben ABT c.s. aangevoerd: niet alleen dat op hun verzoek SPIE haar voorstel voor de voorlopig finale eindafrekening in de betalingsprocedure had ingediend op dezelfde wijze als eerder gedurende het hele project gebeurd was; maar ook dat SPIE’s handelen gedurende het project en na beëindiging ervan een bevestiging vormt dat partijen in het sub-subcontract waren overeengekomen dat, vanwege de
back-to-backstructuur, alle aanspraken voor betalingen eerst in de reguliere procedure volgens art. 21 en Pro bijlage 11 moe(s)ten worden voorgelegd aan BN-TAV (als
Contractor) en de
Engineer, waarna ABT pas aan haar kon uitbetalen. “Ten onrechte” heeft het hof in rov. 5.32 niet deze door ABT c.s. gestelde feiten en omstandigheden betrokken, als rechtens relevant. [172] “Aldus” miskende het hof bij toepassing van de uitlegmaatstaf ter vaststelling van de inhoud van het sub-subcontract dat ook deze, door ABT c.s. gestelde, gedragingen van SPIE na het sluiten van het sub-subcontract bij uitvoering van hun overeenkomst aanwijzingen kunnen opleveren over de betekenis die zij eraan hebben toegekend en van belang zijn voor de uitleg.
determination-procedure doorlopen moet worden voordat zij betaald zou kunnen krijgen. SPIE heeft steeds, en consequent, aangedrongen op directe betaling van haar ingediende eindafrekeningen (die zij overigens geen ‘
Final Payment Applications’ heeft genoemd, zoals ABT c.s. stellen, maar ‘
FinalInterimPayment Applications’, waarmee zij ook uitdrukkelijk is afgeweken van het format van bijlage 11). De door ABT c.s. in dit verband aangehaalde passages uit de memorie van grieven van SPIE zagen op de subsidiaire grondslag en vorderingen van SPIE, en moeten dus ook in dat licht worden beschouwd.
determination-procedure doorlopen moet worden voordat zij betaald zou kunnen krijgen, [174] respondeert het hof in rov. 5.32.
x) in hoger beroep vaststonden, en dat
xslechts een bepaalde gevolgtrekking wettigt (
y). [175] Zonder nadere motivering, die ontbreekt, “is dan ook niet begrijpelijk (navolgbaar) dat het hof in
rov. 5.32heeft kunnen oordelen dat SPIE met genoemde
‘Final Interim Payment Application’‘
(…) ook uitdrukkelijk is afgeweken van het format van bijlage 11’”. Dit oordeel van het hof vindt geen steun in de vaststaande feiten, waardoor het feitelijke grondslag ontbeert.
klacht a.
zekerheidshalve(“Voor zover ABT c.s. nog”, etc.), een verweer dat strekt
ten gunstevan ABT c.s. Daaraan doet niet af dat het hof, gemotiveerd, niet meegaat in dit betoog van ABT c.s. (dus voor zover zij hebben bedoeld dit te betogen). Ik zie overigens niet hoe ABT c.s. op relevante wijze ‘last’ zouden hebben gehad in het arrest van ’s hofs bevindingen in rov. 5.31, het subonderdeel werpt daar ook geen licht op.
klacht b.
klacht c.
van rechtswegeintreedt, wat meebrengt dat ABT dit rechtsgevolg toen niet aan SPIE hoefde tegen te werpen. Door het verstrijken van deze termijn is het vergoedingsrecht komen te vervallen. De rechter kan het vervallen daarvan ook ambtshalve bijbrengen en vaststellen bij zijn beoordeling onder art. 3:296 lid 1 BW Pro van de toewijsbaarheid van de vordering. Dit betekent dat het recht om zich te beroepen op het door het verstrijken van de termijn vervallen van het vergoedingsrecht niet kan worden ‘verwerkt’, nu dat het, door (enkel) tijdsverloop ingetreden, rechtsgevolg niet (meer) - op grond van een beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid - ‘buiten effect’ kan stellen. Dat heeft het hof hier miskend. [178]
notice) uitbrengen aan ABT. Artikel 27.1.2 bepaalt dat het niet voldoen aan dit vereiste ertoe leidt dat SPIE wordt uitgesloten van het recht op vergoeding van kosten. ABT c.s. hebben zich - naar het hof begrijpt bij wijze van meest verstrekkend verweer - op deze vervaltermijn beroepen en stellen zich op het standpunt dat alleen al hierom SPIE geen aanspraak kan maken op in ieder geval haar eerst ingediende EOT- en Disruption-Claims. Nog los van het feit dat SPIE gemotiveerd heeft betwist dat zij de kennisgeving niet tijdig heeft gedaan, is het hof met haar van oordeel dat ABT haar recht heeft verwerkt om zich te beroepen op deze vervaltermijn. ABT heeft de Claims na indiening daarvan begin 2021 in behandeling genomen, aan SPIE om een nadere onderbouwing gevraagd en de Claims ook doorgezet naar de partijen hoger in de keten. Gesteld noch gebleken is dat ABT toen het bepaalde in de artikelen 27.1.1 en 27.1.2 aan SPIE heeft tegengeworpen.
EOT-Claimen
Disruption-Claim. Want ook als ter zake geldt dat de door art. 27.1.1 vereiste kennisgeving ontbreekt, wat SPIE gemotiveerd heeft betwist, is dat inroepen door ABT (c.s.) van de in art. 27.1.2 geregelde consequentie van zulk ontbreken in de gegeven omstandigheden [179] in strijd met redelijkheid en billijkheid, wegens rechtsverwerking (art. 6:248 lid 2 BW Pro). [180]
handelenvan ABT. Dit is reeds fataal voor het subonderdeel. [185]
voortbouwklacht. Gegrondbevinding van (een of meer klachten van) onderdelen 1-2 brengt mee dat evenmin in stand kan blijven wat het hof, voortbouwend op daar bestreden oordelen, in rov. 5.35-5.36, 5.43-5.46, 5.57-5.61 en 5.68 van het arrest heeft geoordeeld en beslist.