Uitspraak
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 29 juni 1988 betreffende na te noemen naheffingsaanslag in de dividendbelasting.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een naheffingsaanslag dividendbelasting over 1985 opgelegd aan een besloten vennootschap, die werd gehandhaafd door het Hof. De inspecteur stelde dat de vennootschap in samenspanning met een zakenrelatie schijntransacties had opgezet, waarbij gefingeerde facturen werden geboekt en betaald, maar de bedragen contant werden terugontvangen en niet verantwoord in de boeken. Het Hof achtte het vermoeden gerechtvaardigd dat er sprake was van een dividenduitdeling aan de directeur-enig aandeelhouder, wat belanghebbende betwistte.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onterecht de bewijslast bij de belanghebbende had gelegd om het vermoeden van uitdeling te weerleggen, terwijl volgens het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (art. 6 EVRM Pro) de bewijslast van opzet of grove schuld bij de inspecteur rust, ook wanneer het gaat om rechtspersonen. Verder stelde de Hoge Raad dat de verhoging van de aanslag een strafvordering inhoudt en dat de belastingrechter niet op basis van vermoedens mag besluiten dat sprake is van opzet of grove schuld zonder voldoende bewijs.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe behandeling met inachtneming van deze overwegingen. Tevens wordt het griffierecht aan belanghebbende vergoed. Het arrest benadrukt de toepassing van fundamentele rechtsbeginselen zoals het recht op een eerlijk proces en de bewijslastverdeling in belastingzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.