Uitspraak
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 8 mei 1989 betreffende de ter zake van na te melden schenking opgelegde aanslag in het recht van schenking.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft in 1978 zijn garagebedrijf overgedragen aan zijn zonen en hen een renteloze lening verstrekt die te allen tijde direct opeisbaar was. In 1983 heeft hij een deel van deze lening kwijtgescholden. De Inspecteur legde aanslagen schenkingsrecht op, stellende dat de renteloze lening een materiële bevoordeling vormde, te kwalificeren als vruchtgebruik.
Het Hof oordeelde dat de lening duurzaam aan het bedrijf was gebonden en de clausule van directe opeisbaarheid geen reële betekenis had. Het vermoeden bestond dat belanghebbende de lening uit vrijgevigheid renteloos ter beschikking stelde, waardoor sprake was van een schenking in de vorm van vruchtgebruik. Belanghebbende stelde dat de aanslag nietig was en dat geen sprake was van schenking vanwege de directe opeisbaarheid.
De Hoge Raad verwierp het beroep in cassatie en bevestigde het oordeel van het Hof. De Hoge Raad stelde dat het Hof terecht de clausule van directe opeisbaarheid buiten beschouwing liet voor de waardering van de bevoordeling en dat het voordeel als vruchtgebruik moest worden aangemerkt. De klachten dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd werden verworpen, waarmee de aanslag schenkingsrecht standhield.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de renteloze lening aan de zonen als vruchtgebruik moet worden aangemerkt en de aanslag schenkingsrecht gehandhaafd blijft.