ECLI:NL:PHR:1997:AA3293
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over rente op rekening-courantlening en winstuitdeling bij BV
De zaak betreft een cassatieberoep van een aandeelhouder tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam over de fiscale behandeling van rente op een rekening-courantlening van zijn BV. De belanghebbende had in de jaren 1980-1982 grote bedragen geleend tegen 6% rente, waarvan de inspecteur vond dat deze rente te laag was en dat er sprake was van een verkapte winstuitdeling. De BV accepteerde correcties in de vennootschapsbelasting en de belanghebbende betaalde de bedragen terug aan de BV.
Het geschil betrof of deze terugbetaling in de inkomstenbelasting als negatieve inkomsten uit vermogen kon worden aangemerkt. Het hof oordeelde dat de uitdelingen waren gedaan in het vooruitzicht van te maken winst en dat art. 2:217 BW Pro (oud) niet meebrengt dat dergelijke uitkeringen nietig zijn, zodat er geen terugbetalingsverplichting bestond en geen negatieve inkomsten uit vermogen waren.
In cassatie voerde de belanghebbende aan dat het hof art. 2:217 BW Pro onjuist had uitgelegd. De Hoge Raad verwierp dit en overwoog dat art. 2:217 BW Pro niet geschreven is voor situaties van bevoordeling via een te lage rente, waar de sanctie van nietigheid niet effectief is. Ook het beroep op aftrekbaarheid van de terugbetaling faalde, omdat geen aanvullende renteafspraak was gemaakt.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de aandeelhouder wordt verworpen; de terugbetaling is geen negatieve inkomsten uit vermogen.