Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 6 december 1988 betreffende na te melden verzoek om teruggaaf van omzetbelasting van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[Z].
Hoge Raad
Belanghebbende exploiteert een distributiecentrum en heeft een vergunning voor een fictief douane-entrepot met administratieve controle. Bij controle over 1974-1979 werd een vermis aan goederen geconstateerd, waarop de Inspecteur omzetbelasting naheefde en een uitnodiging tot betaling deed. Belanghebbende betaalde dit bedrag en verzocht om aftrek van deze belasting in haar aangifte over het vierde kwartaal 1980, wat werd afgewezen.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende recht heeft op aftrek van de omzetbelasting, omdat de goederen bestemd waren voor haar onderneming en zij voldeed aan de formele vereisten. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in met het argument dat de belasting niet in het aangiftetijdvak was verschuldigd en dat de goederen na het verlaten van het entrepot niet meer voor belanghebbende bestemd waren.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat de belasting aftrekbaar is in het tijdvak waarin de formele verschuldigdheid ontstaat, namelijk bij de uitnodiging tot betaling. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het Hof terecht aannam dat de goederen ondanks het vermis bestemd waren voor belanghebbende en in het kader van haar onderneming zijn gebruikt. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en het recht op aftrek van de omzetbelasting wordt bevestigd.