Uitspraak
23.080,--
Hoge Raad
Belanghebbende was directeur en enig aandeelhouder van [A] B.V. en verkocht in 1979 zijn gewone aandelen aan [C] N.V. Het Hof oordeelde dat de koopovereenkomst reeds vóór de emissie in 1979 tot stand was gekomen tegen de intrinsieke waarde van de aandelen, waarbij de koopprijs bepaalbaar was aan de hand van een objectieve maatstaf. Het Hof handhaafde de navorderingsaanslag op basis van deze verkoop.
Belanghebbende stelde in cassatie dat er in 1979 geen wilsovereenstemming was over de verkoop omdat de koopprijs pas in 1981 definitief kon worden vastgesteld. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd dat de koopprijs in 1979 voldoende bepaalbaar was, mede omdat de datum van overdracht niet exact vaststond en het vermogen van de vennootschap in 1979 nog niet definitief was.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak naar het Hof te 's-Gravenhage voor hernieuwd onderzoek naar het tijdstip van de koopovereenkomst en de juiste bepaling van de winst uit aanmerkelijk belang. Tevens werd het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor nadere behandeling over het tijdstip van de koopovereenkomst en koopprijsbepaling.