Uitspraak
Gedeputeerde Statenvan de provincie Noord- Brabant tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Hertogenboschvan 20 september 1991 betreffende van
[Z]
Hoge Raad
Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant hadden aan belanghebbende een bedrag van f 72.500,-- aan leges opgelegd voor de aanvraag van een ontgrondingsvergunning. Na bezwaar verklaarden Gedeputeerde Staten het bezwaar ongegrond. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de uitspraak van Gedeputeerde Staten vernietigde en het gevorderde bedrag verminderde tot f 2.500,--.
Gedeputeerde Staten stelden vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De kern van het geschil betrof de vraag of de leges geheven moesten worden volgens de nieuwe Legesverordening van 1989 of de oude verordening van 1977. Het Hof had geoordeeld dat het verzoek tot vergunningaanvraag voldoende concreet was en dat de oude verordening van toepassing was.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte het gevorderde bedrag had verminderd en vernietigde het arrest van het Hof, behoudens het griffierecht en de beslissing van Gedeputeerde Staten. De Hoge Raad bevestigde dat de leges geheven moeten worden volgens de oude legesverordening, omdat de aanvraag tijdig en concreet was ingediend. De Hoge Raad verwierp de stellingen van Gedeputeerde Staten over fictieve weigering en datumfictie.
Het arrest werd gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter en vier raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier. De uitspraak bevestigt de toepassing van de oude legesverordening op de legesheffing voor de ontgrondingsvergunning.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt dat de leges geheven moeten worden volgens de oude legesverordening, met een vermindering van het gevorderde bedrag tot f 2.487,--.