ECLI:NL:HR:1994:AA2992
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- De Moor
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt weigering verliesverrekening bij commanditaire vennootschap zonder ondernemingsactiviteiten
X B.V. had voor het jaar 1985 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd gekregen en maakte bezwaar tegen de weigering van verliesverrekening van verliezen uit 1982 en 1983. De Inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, maar het Hof vernietigde deze beslissing en verklaarde X B.V. ontvankelijk in haar bezwaar, terwijl het de aanslag handhaafde.
X B.V. stelde dat de verliezen uit 1982 en 1983, die de winst van 1984 overtroffen, verrekend moesten worden met de winst van 1985. De Inspecteur wees dit af op grond van artikel 20 lid 5 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, omdat X B.V. geen onderneming exploiteerde ten tijde van de aandelenoverdracht.
Het Hof oordeelde dat een commanditaire vennoot die geen feitelijke ondernemingshandelingen verricht, niet als ondernemer in de zin van artikel 20 lid 5 Wet Pro kan worden aangemerkt, ook al is hij medegerechtigd tot goodwill en stille reserves. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af, waarbij wordt benadrukt dat de Wet op de vennootschapsbelasting geen bepaling bevat die gelijkwaardig is aan de ondernemersdefinitie in de Wet op de inkomstenbelasting.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat verliesverrekening niet mogelijk is omdat geen sprake was van ondernemingsactiviteiten.