ECLI:NL:PHR:1997:AA2091
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt weigering verliesverrekening bij aanvang nieuwe onderneming na aandelenoverdracht
X B.V., voorheen A B.V., wijzigde in 1990 haar activiteiten van leningen verstrekken en deposito's aanhouden naar het uitgeven van een obligatielening in Peruaanse valuta met zeer hoge rente. Na overdracht van aandelen aan nieuwe aandeelhouders startte zij deze nieuwe onderneming. Het Hof Amsterdam oordeelde dat de verliezen uit deze nieuwe onderneming niet konden worden verrekend met winsten uit voorgaande jaren omdat sprake was van een nieuwe onderneming en niet van voortzetting van de oude.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de wettelijke regeling in art. 20, lid 5, tweede volzin, Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de achterwaartse verliesverrekening beperkt tot situaties waarin een onderneming wordt aangevangen die materieel als onderneming kan worden aangemerkt. De Hoge Raad wijst erop dat de wetgever met deze regeling misbruik wil voorkomen waarbij lege vennootschappen met een belast verleden worden gebruikt om verliezen te verrekenen.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de nieuwe activiteiten van X B.V. een materiële onderneming vormen die niet onder normaal vermogensbeheer valt. Het cassatieberoep faalt omdat de Hoge Raad geen reden ziet om het oordeel van feitelijke aard van het Hof te vernietigen. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van X B.V. wordt verworpen en het oordeel van het Hof Amsterdam bevestigd dat verliesverrekening niet is toegestaan bij aanvang van een nieuwe onderneming na aandelenoverdracht.