Uitspraak
[woonplaats].
29 maart 1994.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 29 maart 1994 het cassatieberoep van een verdachte verworpen die was veroordeeld voor rijden onder invloed op grond van artikel 26, tweede lid, sub b, van de Wegenverkeerswet. De verdachte stelde dat het bloedonderzoek onrechtmatig was omdat de voorafgaande ademanalyse binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van twintig minuten had plaatsgevonden, waardoor de bloedproef niet als bewijs mocht worden gebruikt.
Het hof had het verweer verworpen omdat het onderzoek naar het ademalcoholgehalte niet kon worden voltooid door een defect aan het ademanalyseapparaat, waardoor de verdachte niet in haar belangen was geschaad. De Hoge Raad bevestigde deze overwegingen en oordeelde dat het bloedonderzoek als wettig bewijsmiddel kon worden gebruikt.
De zaak betrof een incident op 18 november 1989 te Rotterdam, waarbij de verdachte werd aangehouden na het rijden met een bloedalcoholgehalte van 1,36 milligram per milliliter bloed. Ondanks het defect aan het ademtestapparaat werd bloed afgenomen en onderzocht, hetgeen leidde tot de veroordeling. De Hoge Raad vond geen reden om het vonnis te vernietigen en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; bloedonderzoek als bewijs toegestaan ondanks defect ademanalyseapparaat.