ECLI:NL:HR:1995:AA1522

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 oktober 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30642
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • C.H.M. Jansen
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 26 lid 3 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt waarderingsmethode bij geruisloze inbreng landbouwgrond in BV

Belanghebbende bracht zijn agrarische onderneming, inclusief landbouwgrond, per 1 mei 1990 geruisloos in een besloten vennootschap (BV) in. De Inspecteur stelde bij de aanslag inkomstenbelasting 1990 dat de waarde van de landbouwgrond lager was dan door belanghebbende en de BV opgegeven, waardoor niet aan de voorwaarden van artikel 18 Wet Pro op de inkomstenbelasting 1964 was voldaan.

Het Gerechtshof Leeuwarden had de aanslag verminderd op basis van de door belanghebbende gehanteerde vrije waarde van de landbouwgrond, waarbij werd geoordeeld dat de waarde in het economische verkeer de prijs betreft die bij een geschikte aanbieding door de meest biedende gegadigde zou worden betaald.

De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte geen rekening had gehouden met een mogelijke onderrentabiliteit en de going concern-factor. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat de waardering van de landbouwgrond op basis van de vrije waarde passend is, ook indien sprake is van dreigende onderrentabiliteit.

De Hoge Raad wees het beroep af en gaf belanghebbende de gelegenheid zich uit te laten over proceskosten. Het arrest werd op 18 oktober 1995 uitgesproken door de genoemde raadsheren onder voorzitterschap van vice-president Jansen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de waardering van landbouwgrond op basis van de vrije waarde bij geruisloze inbreng.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 12 augustus 1994 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1990 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 2.543.611,--, waarvan ƒ 2.137.255,-- belast naar het tarief van artikel 57, lid 2, (tekst 1990) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Belanghebbende is tegen die aanslag, met schriftelijke toestemming van de Inspecteur op de voet van artikel 26, lid 3 (tekst tot 1 januari 1994), van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, rechtstreeks in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft deze aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 229.660,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
3.1.1. Belanghebbende exploiteerde voor zijn rekening tot 1 mei 1990 een veehouderij op omstreeks 45 ha. eigen grond. Per 1 mei 1990 werd die onderneming gedreven voor rekening van de door hem daartoe opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A BV (hierna: de BV). De BV is opgericht op 28 februari 1992, op welke datum belanghebbende zijn onderneming heeft ingebracht in de BV, ter gelegenheid van welke inbreng belanghebbende heeft voldaan aan zijn stortingsverplichting op de geplaatste aandelen in de BV ten bedrage van nominaal ƒ 3.278.000,--.
3.1.2. Bij de inbreng van de onderneming in de BV hebben belanghebbende en de BV beoogd deze inbreng te doen geschieden met gebruikmaking van de regeling van artikel 18 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), in verband waarmee zij de in dat artikel bedoelde voorwaarden hebben aanvaard. Deze voorwaarden zijn bij besluit van de Inspecteur van 19 maart 1992 namens de Staatssecretaris vastgesteld, met als overgangstijdstip 1 mei 1990. Deze voorwaarden zijn gelijkluidend aan de standaardvoorwaarden die zijn gepubliceerd in de Resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 9 september 1991, nr. DB91/2799, gewijzigd bij Resolutie van 18 oktober 1991, nr. DB91/5160, BNB 1991/344.
3.1.3. Tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende behoorden per het overgangstijdstip onder meer een melkquotum van 566.657 kg, gebouwen, een veestapel en omstreeks 45 ha. grond. Bij de berekening van voormeld aandelenkapitaal van ƒ 3.278.000,-- hebben belanghebbende en de BV zich op het standpunt gesteld dat voor de waarde in het economische verkeer van de landbouwgrond dient te worden uitgegaan van de zogenoemde vrije waarde van die landbouwgrond van ƒ 1.337.000,-- . Bij het vaststellen van de onderhavige aanslag heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld, dat geen sprake kan zijn van een geruisloze inbreng als bedoeld in artikel 18 van Pro de Wet, nu de waarde van de landerijen niet hoger is dan ƒ 668.898,--, zodat belanghebbende en de BV niet hebben voldaan aan het in de zevende voorwaarde bepaalde, volgens hetwelk het nominaal geplaatste aandelenkapitaal moet worden bepaald aan de hand van de waarde in het economische verkeer, welke op het overgangstijdstip aan het vermogen van de ingebrachte onderneming kan worden toegekend.
3.2. Het Hof heeft terecht vooropgesteld dat het bij de waarde in het economische verkeer gaat om de prijs, die bij aanbieding van de landerijen op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde zou worden besteed. 3.3. Het middel betoogt dat de waarde in het economische verkeer van het vermogen van de ingebrachte onderneming dient te worden vastgesteld met inachtneming van de factor going concern, dat deze factor niet in 's Hofs benadering is verdisconteerd, en dat het Hof een dreigende onderrentabiliteit miskent door bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer van de onderneming uit te gaan van de vrije waarde van de landerijen. Het middel faalt echter. Het Hof heeft immers geoordeeld dat een mogelijke onderrentabiliteit er kennelijk niet aan in de weg staat - naar de ervaring leert - dat bedoelde waarde in de praktijk, in voorkomende gevallen ook bij overdracht van een agrarische onderneming in haar geheel, pleegt te worden betaald.
4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.
Dit arrest is op 18 oktober 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep een recht geheven van ƒ 300,--.