ECLI:NL:HR:1997:AA2211
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale eenheid en waardering goodwill bij inbreng onderneming in dochtervennootschap
Belanghebbende, een besloten vennootschap, bracht haar carrosseriebedrijf inclusief een niet geactiveerde goodwill van ƒ 520.000 in een nieuw opgerichte dochter-BV in, waarmee zij een fiscale eenheid vormde. De Inspecteur stelde de waarde van de goodwill als winst in het jaar 1989 vast, omdat volgens de standaardvoorwaarden van de fiscale eenheid de activa en passiva van de dochter bij het einde van het boekjaar op waarde in het economische verkeer moeten worden gesteld indien sprake is van transacties binnen de fiscale eenheid die niet binnen de normale bedrijfsuitoefening vallen.
Het Hof Arnhem bevestigde deze aanslag en oordeelde dat de inbreng van de onderneming niet viel onder de uitzondering voor normale bedrijfsuitoefening zoals bedoeld in de standaardvoorwaarden. Belanghebbende stelde in cassatie dat de inbreng wel paste binnen de normale bedrijfsuitoefening, maar de Hoge Raad verwierp dit en oordeelde dat de uitlegging van de standaardvoorwaarden een feitelijke beoordeling betreft die in cassatie niet kan worden getoetst.
De Hoge Raad benadrukte dat standaardvoorwaarden slechts modelkarakter hebben en geen algemene rechtsregels vormen, waardoor hun toepassing en uitleg primair aan de feitenrechter toekomt. De motivering van het Hof was voldoende en niet onbegrijpelijk. Het beroep in cassatie werd verworpen en er werden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de aanslag vennootschapsbelasting 1989 wordt bevestigd.