ECLI:NL:HR:1995:AA1562
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- De Moor
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt oordeel over omzetbelasting adviseurschap beeldend kunstenaar
Belanghebbende, een beeldend kunstenaar en ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968, had over het derde kwartaal van 1992 omzetbelasting betaald en verzocht teruggaaf van een deel daarvan. Het Gerechtshof Amsterdam verleende teruggaaf van een klein bedrag aan omzetbelasting met betrekking tot werkzaamheden als lid van adviescommissies en adviseurschappen op het terrein van beeldende kunst.
Het Hof oordeelde dat de adviseurschappen een uitvloeisel waren van de scheppende activiteiten van belanghebbende en daarmee binnen de onderneming vielen, terwijl het lidmaatschap van adviescommissies meer was gebaseerd op persoonlijke eigenschappen en onvoldoende verband hield met zijn scheppende werkzaamheden.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel, maar de Hoge Raad verwierp het beroep. Het oordeel van het Hof was niet onjuist in recht en de feitelijke waardering was niet aan cassatie onderhevig. De Hoge Raad stelde belanghebbende in de gelegenheid zich uit te laten over proceskosten.
Het arrest werd op 19 april 1995 uitgesproken door de Hoge Raad, waarbij een recht van ƒ 75,-- werd geheven van de Staatssecretaris.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het Hof over de teruggaaf omzetbelasting.