Uitspraak
nr. 30.268
17 mei 1995
PdM
[X] B.V.te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 6 april 1994 betreffende de haar voor het jaar 1983 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende verkreeg in 1980 alle aandelen van een in het buitenland opgerichte Ltd., die in 1981 haar zetel naar Nederland verplaatste en daarmee binnenlands belastingplichtig werd. In 1983 werd de Ltd. geliquideerd, waarbij een liquidatie-uitkering werd ontvangen die een hoger bedrag bedroeg dan de oorspronkelijke kostprijs van de aandelen.
Belanghebbende vorderde dat het gehele verschil tussen liquidatie-uitkering en kostprijs als vrijgesteld voordeel uit deelneming zou worden aangemerkt op grond van artikel 13 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De Inspecteur en het Hof stelden echter dat slechts het voordeel gerealiseerd tijdens de binnenlandse belastingplicht vrijgesteld kon worden.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en verwierp het cassatieberoep. De deelnemingsvrijstelling is bedoeld om dubbele belastingheffing te voorkomen, en dat doel wordt niet bereikt indien ook voordelen worden vrijgesteld die niet onderworpen zijn geweest aan vennootschapsbelasting. De mogelijke toepassing van artikel 29a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 op het aandeelhouderschap van de vorige eigenaar staat hieraan niet in de weg.
De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde dat alleen het tijdens de binnenlandse belastingplicht gerealiseerde voordeel onder de deelnemingsvrijstelling valt.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat slechts het tijdens de binnenlandse belastingplicht gerealiseerde liquidatievoordeel onder de deelnemingsvrijstelling valt.