ECLI:NL:HR:1995:AA1590

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 mei 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30159
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Wildeboer
  • raadsheer Urlings
  • raadsheer Herrmann
  • raadsheer Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 270 Gemeentewet (oud)Art. 277 Gemeentewet (oud)Art. 279 Gemeentewet (oud)Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen aanslag rioolaansluitrecht gemeente Amsterdam

Belanghebbende werd voor het jaar 1990 een aanslag in het aansluitrecht riolering opgelegd door de gemeente Amsterdam. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur der Gemeentebelastingen deze aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, dat het besluit bevestigde.

Tegen deze uitspraak stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad beoordeelde onder meer of artikel 279 van Pro de Gemeentewet was geschonden, waarbij het hof aannemelijk had gemaakt dat de geraamde opbrengst van het rioolaansluitrecht niet hoger was dan de geraamde gemeentelijke uitgaven die verband houden met de aansluiting op de gemeentelijke riolering.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat de klachten van belanghebbende niet slaagden. Verder achtte de Hoge Raad geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten. Het beroep werd verworpen en het arrest op 3 mei 1995 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende tegen de aanslag rioolaansluitrecht 1990 is verworpen.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 februari 1994 betreffende na te melden aan haar voor het jaar 1990 opgelegde aanslag in het aansluitrecht riolering van de gemeente Amsterdam.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 als zakelijk gerechtigde tot een op de gemeentelijke riolering aangesloten onroerende zaak een aanslag in het aansluitrecht riolering van de gemeente Amsterdam opgelegd ten bedrage van ƒ 52,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur der Gemeentebelastingen is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. Het Hof heeft met betrekking tot de vraag of artikel 279 van Pro de gemeentewet is geschonden geoordeeld dat de Inspecteur in zijn tot de gedingstukken behorende brief van 30 juni 1993 en vervolgens ter zitting van 3 december 1993 aannemelijk heeft gemaakt dat de geraamde opbrengst van het onderhavige rioolaansluitingsrecht niet uitgaat boven de geraamde gemeentelijke uitgaven ter zake. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat belanghebbende voor het Hof niet erover heeft geklaagd en de stukken van het geding niet dwingen tot de veronderstelling dat de Verordening ertoe zou leiden dat het rioolaansluitingsrecht strekt tot dekking van andere kosten dan die welke verband houden met de aanwezigheid van de aansluiting op de gemeentelijke riolering (Hoge Raad 12 januari 1994, nr. 29 579, BNB 1994/84). In zoverre falen de klachten. 3.2. De klachten falen ook voor het overige. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 3 mei 1995 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, en op die datum in het openbaar uitgesproken.