ECLI:NL:HR:1995:AA1591
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Wildeboer
- Urlings
- Herrmann
- Fleers
- Rechtspraak.nl
Geen aftrek latente inkomstenbelastingschuld voor blote eigenaar aanmerkelijk-belangaandelen met vruchtgebruik
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1989 een aanslag vermogensbelasting opgelegd over een vermogen van ƒ 14.721.000,--. Van haar aandelen in een vennootschap was op 394 aandelen een vruchtgebruik gevestigd ten behoeve van een stichting. De vraag was of zij als blote eigenaar de latente inkomstenbelastingschuld op deze aandelen als schuld mocht aftrekken bij de vermogensbelasting. Het Hof bevestigde dat dit niet mogelijk was omdat de aandelen volgens artikel 6 van Pro de Wet op de vermogensbelasting niet tot haar vermogen behoren.
Belanghebbende stelde in cassatie dat deze regeling onredelijk was en dat de latente belastingschuld toch in aftrek moest worden genomen, omdat de draagkracht van de blote eigenaar door de latente inkomstenbelasting wordt beïnvloed. De Hoge Raad overwoog dat de wetgever met de toevoeging van de woorden "in het vermogen begrepen" in artikel 4, lid 4, letter c, van de Wet op de vermogensbelasting duidelijk heeft willen voorkomen dat latente belastingschulden kunnen worden afgetrokken voor vrijgestelde vermogensbestanddelen.
Hoewel de situatie waarin vruchtgebruik is gevestigd op aanmerkelijk-belangaandelen leidt tot een onredelijke uitkomst, biedt de wet geen ruimte voor afwijking van de letterlijke tekst. De Hoge Raad verwerpt daarom het beroep en bevestigt dat de latente inkomstenbelastingschuld niet in aftrek kan worden gebracht door de blote eigenaar van de aandelen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat de latente inkomstenbelastingschuld niet aftrekbaar is voor de blote eigenaar van aanmerkelijk-belangaandelen met vruchtgebruik.