ECLI:NL:PHR:1995:AA1591
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aftrek latente inkomstenbelastingschuld bij vruchtgebruik aanmerkelijk-belangaandelen
In deze zaak staat centraal de vraag of een belastingplichtige die blote eigenaar is van aanmerkelijk-belangaandelen met vruchtgebruik aanspraak kan maken op aftrek van latente inkomstenbelastingschuld op grond van artikel 4 van Pro de Wet op de vermogensbelasting 1964.
Belanghebbende bezat 600 aandelen waarvan zij van 394 aandelen slechts de hoofdgerechtigde was, terwijl het vruchtgebruik bij een stichting berustte. Het geschil betrof de mogelijkheid tot aftrek van latente inkomstenbelastingschuld op deze aandelen. Het hof had geoordeeld dat deze aftrek niet mogelijk was omdat de aandelen niet in het vermogen van belanghebbende waren begrepen.
De Hoge Raad bevestigt dat sinds de wijziging van artikel 4, lid 4, onderdeel c, met de toevoeging van "in het vermogen begrepen" in 1985, de blote eigenaar geen aftrek kan claimen voor latente inkomstenbelasting op aanmerkelijk-belangaandelen die niet tot zijn belastbare vermogen behoren. De wetsgeschiedenis en de systematiek van de wet ondersteunen deze uitleg. De cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat aftrek van latente inkomstenbelastingschuld niet mogelijk is voor blote eigendom van aanmerkelijk-belangaandelen met vruchtgebruik.