ECLI:NL:HR:1995:AA1607

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 mei 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30521
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Van der Linde
  • De Moor
  • C.H.M. Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenWet op de omzetbelasting 1968
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag omzetbelasting na bezwaar en beroep

Belanghebbende, fiscale eenheid X N.V., kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het tijdvak van 1 januari tot en met 31 december 1987. Na bezwaar werd de aanslag verminderd, maar de verhoging bleef ongewijzigd. Tegen deze beslissing kwam belanghebbende in beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, dat de aanslag en het besluit tot weigering van verdere kwijtschelding bevestigde.

Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad en formuleerde drie middelen van cassatie. De Staatssecretaris van Financiën bestreed het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad wees tevens af om proceskosten toe te wijzen aan partijen, conform artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Het arrest werd vastgesteld op 24 mei 1995 door de raadsheren Van der Linde, De Moor en C.H.M. Jansen en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep van fiscale eenheid X N.V. tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting 1987 is verworpen.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de fiscale eenheid X N.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 juni 1994 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1987 tot en met 31 december 1987 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 66.784,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 16.696,-- aan verhoging, met het besluit geen verdere kwijtschelding van de verhoging te verlenen. Belanghebbende is tegen die uitspraak en dat besluit in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd en dit besluit heeft gehandhaafd.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij drie middelen van cassatie voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de middelen De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 24 mei 1995 vastgesteld door de raadsheer Van der Linde als voorzitter en de raadsheren De Moor en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.