ECLI:NL:HR:1995:AA1633
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Herrmann
- raadsheer Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing vergoeding echtgenote bij uitsluiting gemeenschap van goederen
De zaak betreft een geschil over de omvang van de nalatenschap van A, die in 1988 overleed, en de vraag of een schuld van ƒ 100.000,-- aan zijn echtgenote in mindering kan worden gebracht bij de successieaanslag. De echtgenote had jarenlang onbetaald meegewerkt in de eenmanszaak van de erflater, maar was gehuwd buiten gemeenschap van goederen zonder verrekeningsbeding.
Belanghebbenden, de dochters van de erflater, stelden dat de echtgenote recht had op vergoeding van haar arbeid of dat de schuld aan haar als schenking moest worden aangemerkt. Het Hof Arnhem verwierp deze stellingen omdat belanghebbenden onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat de echtgenote feitelijk ondernemer was geworden of dat het vermogen van de erflater door haar arbeid met het bedrag was toegenomen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had over het begrip feitelijk ondernemerschap in het huwelijksvermogensrecht. Ook was er geen sprake van onvoorziene omstandigheden die de huwelijksvoorwaarden zouden moeten doorbreken. De stelling dat de schuld als natuurlijke verbintenis en fictief legaat moest worden aangemerkt, werd eveneens verworpen. Het beroep in cassatie werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de erfgenamen wordt verworpen en het oordeel van het hof bevestigd dat geen vergoeding aan de echtgenote toekomt.