ECLI:NL:PHR:1995:AA1633
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoedingsrecht echtgenote bij koude uitsluiting en schuld in nalatenschap
De zaak betreft de nalatenschap van A, die overleed op 20 november 1988, waarbij de omvang van de nalatenschap en de vraag of een schuld van ƒ 100.000 aan zijn echtgenote in aanmerking kan worden genomen voor de successierechten centraal staan.
Het hof stelde vast dat de echtgenote door haar arbeid een reële bijdrage leverde aan de onderneming van de erflater, maar dat zij niet als feitelijk ondernemer kon worden aangemerkt en dat geen sprake was van een maatschap tussen echtgenoten. Tevens werd geoordeeld dat de echtgenote geen recht had op vergoeding van ƒ 100.000 wegens het ontbreken van bewijs en onvoorziene omstandigheden die de huwelijksvoorwaarden zouden wijzigen.
De Hoge Raad bevestigt dat het feitelijk verrichten van werkzaamheden niet automatisch leidt tot ondernemerschap of een vergoedingsrecht zonder nadere overeenkomst. Ook oordeelt de Hoge Raad dat de vervaltermijn in de huwelijksvoorwaarden niet onredelijk is en dat de inspecteur niet gebonden is aan een door belanghebbenden erkende schuld zonder bewijs.
Daarnaast wordt ingegaan op de vraag of een betaling aan de echtgenote als voldoening van een natuurlijke verbintenis kan worden aangemerkt als een fictief legaat voor successierecht, waarbij wordt geoordeeld dat dit niet het geval is zonder omzetting in een afdwingbare verbintenis. Het beroep in cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de schuld van ƒ 100.000 wordt niet in aanmerking genomen voor successierecht.