ECLI:NL:HR:1995:AA3091
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Wildeboer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Fleers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrekbaarheid schade aan kleding en schoeisel van werknemer in loonbelasting
Belanghebbende, werkzaam als leerkracht in het basisonderwijs, bracht in haar aangifte inkomstenbelasting 1990 kosten voor schade aan kleding en schoeisel ten bedrage van ƒ 400 en ƒ 300 respectievelijk in aftrek. De Inspecteur weigerde deze aftrek met verwijzing naar art. 36 lid 1 sub f Wet Pro IB 1964, dat kosten verband houdend met kleding, uitgezonderd werkkleding, niet aftrekbaar stelt. Het Hof bevestigde deze weigering.
In cassatie betoogde belanghebbende dat het hier ging om schade aan persoonlijke goederen en niet om aanschafkosten, en dat deze schade aftrekbaar zou moeten zijn. De Hoge Raad overwoog dat de beperking in art. 36 lid 1 sub f Wet Pro IB 1964 niet ziet op schade aan kleding die onbruikbaar is geworden door de dienstbetrekking, maar op kosten van aanschaf en onderhoud. Tevens werd benadrukt dat de regeling in de Wet op de loonbelasting 1964 voor vergoedingen van schade aan persoonlijke zaken niet conflicteert met deze aftrekbeperking.
De Hoge Raad concludeerde dat de klacht gegrond is en vernietigde het bestreden arrest. De zaak werd verwezen naar een ander hof voor verdere behandeling, met name om de omvang van de door belanghebbende gestelde schade vast te stellen. De klachten werden verder afgewezen en het beroep verworpen. Proceskosten werden niet aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen, het arrest vernietigd en de zaak verwezen voor nadere behandeling over de omvang van de schade.