ECLI:NL:PHR:1995:AA3091
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aftrekbaarheid van schade aan kleding en schoeisel door dienstbetrekking
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden over de aftrekbaarheid van schade aan kleding en schoeisel die een werknemer in 1990 door onvoorzichtig gedrag van kinderen tijdens haar werk als leerkracht heeft opgelopen.
De Inspecteur en het hof wezen de aftrek af op grond van art. 36 lid 1 onder Pro f Wet IB 1964, dat kosten verband houdend met kleding (uitgezonderd werkkleding) niet tot aftrekbare kosten rekent. De belanghebbende stelde dat deze bepaling niet bedoeld was schade aan kleding en schoeisel aftrekbaar te beperken.
De Hoge Raad overweegt dat eerdere jurisprudentie schade aan persoonlijke zaken die direct verband houdt met de dienstbetrekking wel als aftrekbare kosten erkent. De tekst en strekking van art. 36 lid 1 onder Pro f Wet IB 1964 sluiten volgens de Hoge Raad niet uit dat schade aan kleding die onbruikbaar is geworden door de dienstbetrekking aftrekbaar blijft. De zaak wordt verwezen voor nadere vaststelling van de omvang van de schade en verdere beoordeling.
De Hoge Raad wijst ook op het zogeheten omvangscriterium uit art. 35 lid 1 Wet Pro IB 1964, maar acht dat in deze zaak niet van toepassing. De klacht van de belanghebbende wordt gegrond verklaard en het vonnis vernietigd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de aftrekbaarheid van schade aan kleding en schoeisel.