ECLI:NL:HR:1995:AA3113
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over kwalificatie winningsvergunning als bedrijfsmiddel in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een vennootschap naar het recht van Delaware, had voor het boekjaar 1983/1984 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd gekregen. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag verminderd, waarbij het Hof oordeelde dat de winningsvergunning een bedrijfsmiddel was en investeringsbijdragen van toepassing waren.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad onderzocht of de winningsvergunning kwalificeert als een bedrijfsmiddel in de zin van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Het Hof had de vergunning gelijkgesteld aan andere vergunningen die als bedrijfsmiddelen worden gezien, maar de Hoge Raad oordeelde dat de vergunning slechts het recht geeft om de aan de Staat toebehorende delfstoffen toe te eigenen.
De Hoge Raad stelde vast dat de vergunning geen zaak is die tot het vaste kapitaal behoort en haar betekenis behoudt na eerste aanwending, maar een recht op een voorraad gas die bestemd is voor de omzet. Daarom kan de vergunning niet als bedrijfsmiddel worden aangemerkt en bevestigde de Hoge Raad de uitspraak van de Inspecteur, waarbij investeringsbijdragen niet werden toegekend.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de winningsvergunning geen bedrijfsmiddel is en wijst het cassatieberoep van belanghebbende af.