ECLI:NL:HR:1995:AA3162

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 november 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30447
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Bellaart
  • De Moor
  • Van der Putt-Lauwers
  • Van Brunschot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid verzet tegen premieheffing volksverzekeringen wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende werd voor het jaar 1986 een aanslag in de premieheffing volksverzekeringen opgelegd. Tegen deze aanslag maakte hij bezwaar, maar werd wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring werd door het Gerechtshof Amsterdam eveneens wegens termijnoverschrijding afgewezen.

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen de uitspraak van het hof. De Hoge Raad constateerde dat het verzetschrift te laat was ingediend, namelijk één dag na het verstrijken van de zeswekentermijn. Hoewel het hof niet had gemotiveerd waarom de te late indiening tot niet-ontvankelijkheid leidde, achtte de Hoge Raad dit een motiveringsgebrek dat niet tot vernietiging van de uitspraak kon leiden.

De Hoge Raad oordeelde dat ook als het verzet ontvankelijk zou zijn, het ongegrond zou blijven omdat de aanslag terecht was opgelegd. Om proceseconomie werd het beroep verworpen zonder verwijzing, maar belanghebbende kreeg wel vergoeding van de griffierechten. Tevens werd belanghebbende gelegenheid gegeven zich uit te laten over een mogelijke proceskostenveroordeling van de wederpartij.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring van het verzet wegens termijnoverschrijding blijft in stand.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 juni 1994 op het verzet van belanghebbende tegen de beschikking van de Voorzitter van de Eerste Meervoudige Belastingkamer van dat Hof betreffende de hem voor het jaar 1986 opgelegde aanslag in de premieheffing volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1986 een aanslag in de premieheffing volksverzekeringen opgelegd naar een premie-inkomen van ƒ 14.376,--. In het tegen deze aanslag gemaakte bezwaar is belanghebbende wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Voorzitter van voormelde Belastingkamer heeft bij beschikking van 15 april 1994 deze uitspraak bevestigd. Het Hof heeft belanghebbende in zijn verzet tegen die beschikking wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de klacht 3.1. Uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijkt dat de beschikking van de Voorzitter van de Eerste Meervoudige Belastingkamer op 25 april 1994 ter post is bezorgd. De termijn waarbinnen tegen deze beschikking verzet kon worden gedaan eindigde derhalve op 6 juni 1994. Het verzetschrift is blijkens een aantekening van de Griffier van het Hof eerst op 7 juni 1994 ter griffie van het Hof ingekomen.
3.2. De klacht houdt in dat belanghebbende ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk in zijn verzet is verklaard.
3.3. Indien een verzetschrift niet binnen de termijn van zes weken is ontvangen, dient de uitspraak van het gerechtshof, waarbij een belanghebbende niet-ontvankelijk wordt verklaard, de gronden in te houden waaruit blijkt dat ook na toepassing van het bepaalde in de artikelen 6:9, lid 2, en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht, de te late ontvangst van het verzetschrift tot niet-ontvankelijkheid dient te leiden.
Aangezien de uitspraak van het Hof hieromtrent niets vermeldt, is deze niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De klacht is derhalve gegrond. Zij kan evenwel niet tot cassatie leiden. Ook indien immers het verzet ontvankelijk zal blijken te zijn, zal dit ongegrond moeten worden verklaard, nu de stukken van het geding geen andere gevolgtrekking toelaten dan dat de Voorzitter terecht de uitspraak van de Inspecteur heeft bevestigd. Om redenen van proceseconomie zal de Hoge Raad daarom niet overgaan tot vernietiging van 's Hofs uitspraak met verwijzing van het geding, doch het beroep verwerpen, zij het dat de Hoge Raad in de omstandigheden van het geval aanleiding vindt de voor het beroep in cassatie door belanghebbende gemaakte kosten te doen vergoeden als na te melden.
4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 75,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.
Dit arrest is op 29 november 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Bellaart, De Moor, Van der Putt- Lauwers en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.