ECLI:NL:HR:1996:AA1727
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- De Moor
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt plaats van dienst voor omzetbelasting bij impresariodiensten
Belanghebbende, een impresario, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 1988-1990. Deze aanslag betrof diensten aan een Zwitserse artieste die haar optredens buiten Nederland uitvoerde. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof Amsterdam.
Het Hof vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en verminderde de aanslag aanzienlijk, omdat het oordeelde dat de diensten van belanghebbende feitelijk in Nederland werden verricht. Dit oordeel was gebaseerd op artikel 9, lid 2, letter C van de Zesde Richtlijn en artikel 6, lid 2, letter c van de Wet op de omzetbelasting 1968. Het Hof nam aan dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat zijn werkzaamheden verder gingen dan het regelen van optredens.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak, maar de Hoge Raad verwierp het beroep. De Hoge Raad bevestigde dat de plaats van dienst wordt bepaald door de locatie waar de diensten van de impresario feitelijk worden verricht en dat het oordeel van het Hof over de feitelijke situatie niet onbegrijpelijk was. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de diensten van de impresario feitelijk in Nederland werden verricht, waardoor de naheffingsaanslag terecht werd verminderd.